Belanghebbende, eigenaar van een melkveebedrijf met bedrijfswoning, stelde dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld en dat de onroerende zaak ten onrechte als niet-woning was aangemerkt voor de OZB. De Heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €393.000 per 1 januari 2016 en de aanslagen onroerende-zaakbelastingen opgelegd.
De Rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Hof. Het Hof heeft het taxatierapport van de Heffingsambtenaar, waarin gebruik werd gemaakt van Taxatiewijzers en regionale verkoopgegevens, als voldoende onderbouwing van de WOZ-waarde beoordeeld. Belanghebbende leverde geen overtuigend tegenbewijs.
Ten aanzien van de OZB-heffing oordeelde het Hof dat de onroerende zaak terecht als niet-woning is aangemerkt, omdat minder dan 70% van de WOZ-waarde aan woningdelen toekomt. De vermelding op het aanslagbiljet van een lagere waarde voor niet-woningdelen werd toegeschreven aan een automatiseringsfout en bindt de Heffingsambtenaar niet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en andere procesrechtelijke argumenten werd verworpen.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank, wees de vorderingen van belanghebbende af en veroordeelde hem niet in proceskosten of griffierechtvergoeding.