Belanghebbende, een BIG-geregistreerd arts en tandarts in opleiding tot kaakchirurg, verrichtte in 2012 naast haar dienstbetrekking in het eerste ziekenhuis werkzaamheden in een tweede ziekenhuis. De vraag was of de voordelen uit deze werkzaamheden als winst uit onderneming moesten worden aangemerkt. De Inspecteur kwalificeerde deze opbrengsten als resultaat uit overige werkzaamheden.
Na eerdere uitspraken van rechtbank en hof Arnhem-Leeuwarden, die het ondernemerschap ontkenden, vernietigde de Hoge Raad dit oordeel en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor nadere beoordeling. Belanghebbende bracht geen aanvullend bewijs in over continuïteit van werkzaamheden of ondernemersrisico.
Het hof stelde vast dat belanghebbende slechts op ongeveer vijftien dagen in het tweede ziekenhuis werkte, geen eigen declaratierecht had, slechts vijftig procent van de gedeclareerde bedragen ontving, en geen schriftelijke overeenkomst of bewijs van zelfstandigheid overlegde. Ook was geen sprake van meerdere opdrachtgevers of continuïteit.
Gelet op deze feiten concludeerde het hof dat belanghebbende niet aan het zelfstandigheidscriterium voldeed en geen ondernemersrisico liep. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.