Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
boete
boete
boete
boete
boete
boete
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende werd aangeslagen voor inkomstenbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013, waarbij de Inspecteur een kasopstelling gebruikte om niet-aangegeven inkomsten aannemelijk te maken. Belanghebbende voerde onder meer aan dat hij kosten voor auto’s van zijn vader had voorgeschoten, geldleningen had ontvangen en bedragen had gepind, maar het Hof achtte deze verklaringen onvoldoende onderbouwd en niet geloofwaardig.
De Inspecteur had de aanslagen over 2010 en 2011 geconverteerd in navorderingsaanslagen, wat het Hof rechtmatig vond vanwege kwade trouw van belanghebbende die onjuiste aangiften had gedaan. De vergrijpboeten voor 2012 en 2013 werden gehandhaafd omdat belanghebbende willens en wetens onjuiste aangiften had ingediend.
Het Hof vond de methode van kasopstelling, ondanks enige ruwheid, geschikt om het inkomen aannemelijk te maken en oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor een andere verklaring van de kasverschillen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens vermeende termijnoverschrijding werd afgewezen omdat het hoger beroep tijdig was behandeld.
De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd, de griffierechten werden niet terugbetaald en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de belastingaanslagen en vergrijpboeten en verklaart het hoger beroep ongegrond.