In deze civiele zaak staat een grensgeschil tussen twee naast elkaar gelegen agrarische percelen centraal, waarbij geïntimeerden en appellanten beide kalverbedrijven exploiteren. De kern van het geschil betreft de bouw van stallen deels over de kadastrale grens en het beroep van geïntimeerden op verkrijgende en bevrijdende verjaring.
De rechtbank had de vorderingen van geïntimeerden toegewezen en het verweer van appellanten afgewezen. Appellanten kwamen in hoger beroep met veertien grieven, waaronder betwisting van de feitenvaststelling en de toepassing van verjaring. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld en beoordeelde de grieven inhoudelijk.
Het hof oordeelt dat geïntimeerden zich ondubbelzinnig als eigenaar van de strook grond hebben gedragen sinds de bouw van de stallen in 1986 en 1991, en dat de verjaringstermijn van twintig jaar voor stallen B en C is voltooid. Voor stallen A en D en de stroken grond geldt dat het bezit sinds 1986 voortduurt, maar het hof staat appellanten toe tegenbewijs te leveren over het ontbreken van goede trouw bij dit bezit. Het hof bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord en houdt verdere beslissing aan.