Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
,
de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidoost-Nederland,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder alsnog vervangende toestemming verkrijgt om met de minderjarige [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen;
- de hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder komt te liggen en, mocht dit worden toegewezen, te bepalen dat:
3.De beoordeling
- De moeder heeft omstreeks eind augustus 2018 kenbaar gemaakt aan de vader dat zij in maart 2019 zou gaan verhuizen naar [plaats 1] en zij heeft de wens geuit om [minderjarige] mee te nemen. De vader was het hier niet mee eens. De moeder is op of omstreeks 1 maart 2019 daadwerkelijk verhuisd naar [plaats 1] . [minderjarige] heeft – ten gevolge van de bestreden beslissing – haar hoofdverblijf thans bij de vader.
- De gezinswoning is inmiddels verkocht. De vader is met [minderjarige] verhuisd naar een andere woning binnen [plaats 2] op 300 meter afstand van de school van [minderjarige] .
- het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming tot verhuizing met [minderjarige] afgewezen;
- bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft met ingang van 1 maart 2019;
- bepaald dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
- de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het verzoek van de moeder tot vaststelling van het hoofdverblijf en kinderalimentatie afgewezen;
- het verzoek van de moeder tot het gelasten van een raadsonderzoek afgewezen;
- de verzoeken voor wat betreft de vaststelling van een zorg- en contactregeling voor het overige aangehouden.