ECLI:NL:GHSHE:2019:3456

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 september 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
200.252.878_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 358 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid moeder in hoger beroep inzake verzoek eenhoofdig ouderlijk gezag

De moeder kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een raadsonderzoek was gelast en het verzoek tot eenhoofdig gezag was aangehouden. In eerste aanleg was het gezamenlijk gezag over de kinderen vastgesteld en verbleven zij bij de moeder.

De moeder verzocht in hoger beroep om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te wijzen. Er werd geen verweerschrift ingediend door de vader. Tijdens de mondelinge behandeling verschenen geen partijen of de raad. Een dag na de zitting trok de moeder haar beroep in.

Het hof oordeelde dat de moeder niet-ontvankelijk was in haar hoger beroep, mede omdat zij haar grieven niet handhaafde. De beschikking van de rechtbank bleef daarmee in stand en het verzoek tot eenhoofdig gezag werd niet toegewezen.

De beslissing werd op 19 september 2019 uitgesproken door het hof te 's-Hertogenbosch, waarbij de moeder niet-ontvankelijk werd verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking van 20 november 2018.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking waarbij het gezagsverzoek werd aangehouden.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 september 2019
Zaaknummer: 200.252.878/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/340511 / FA RK 18-350
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H. Weinans,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: de vader
,
zonder procesvertegenwoordiging.
Deze zaak betreft de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (Marokko), hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna tezamen ook: de kinderen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 november 2018.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het door de moeder gedane verzoek om beëindiging van het gezamenlijk gezag niet terstond is toegewezen en alsnog uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat met ingang van de datum waarop in dezen een beschikking zal worden gegeven, de moeder met uitsluiting van de vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
  • het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 6 november 2018;
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 29 januari 2019;
  • het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 12 februari 2019;
  • de brief van de vader van 6 maart 2019.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2019.
De moeder, de vader en de raad zijn voor die zitting opgeroepen, maar niemand is verschenen.
2.5.
Bij V4-formulier d.d. 20 augustus 2019 heeft de moeder het hof bericht dat zij het verzoek intrekt.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.
Uit het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De ouders zijn met het gezamenlijk gezag over de kinderen belast.
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.2.
In deze zaak heeft de moeder in eerste aanleg onder meer verzocht te worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
3.3.
Bij beschikking van 16 maart 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover thans van belang, de beslissing op dat verzoek pro forma aangehouden in afwachting van het verloop en de uitkomst van het traject Ouderschap Blijft bij Juzt.
3.4.
Bij de bestreden beschikking van 20 november 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de raad verzocht onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in die beschikking vermelde vragen (omtrent het gezag) en daarover te rapporteren en te adviseren en de beslissing op het verzoek van de moeder omtrent het gezag wederom aangehouden.
3.5.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek in hoger beroep.
Nog afgezien van de slagingskansen van het appel gelet op het bepaalde in artikel 358 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vat het hof het bericht van de moeder van 20 augustus 2019 aldus op dat zij de grieven tegen de bestreden beschikking niet handhaaft, hetgeen (eveneens) meebrengt dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep.
3.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 november 2018.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en bijgestaan door de griffier en is op 19 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.