Uitspraak
5.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- voormeld tussenarrest;
- de akte uitlaten van [pensioen 1] ;
- de antwoordakte van [pensioen 2] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak vordert [pensioen 1] uittreding uit het aandeelhouderschap op grond van artikel 2:343 lid 1 BW Pro, omdat de aandeelhouder meent dat zijn rechten en belangen door mede-aandeelhouders zijn geschaad. Het hof overweegt dat op grond van artikel 2:336 lid 3 BW Pro hoger beroep in dergelijke zaken uitsluitend bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam kan worden ingesteld.
Partijen hebben zich niet eerder over de bevoegdheid van het hof uitgelaten, waarna het hof partijen in de gelegenheid stelde zich hierover uit te laten. [pensioen 1] stelde dat er sprake is van een impliciete forumkeuze door het instellen van hoger beroep bij dit hof, terwijl [pensioen 2] zich aansloot bij het oordeel van het hof.
Het hof constateert dat geen uitzonderingen op de exclusieve bevoegdheid van de Ondernemingskamer zoals bedoeld in artikel 2:337 lid 2 BW Pro zijn gesteld. Daarom verklaart het hof zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
Het arrest is gewezen door de rolraadsheren Venhuizen, Milar en Vaessen en op 1 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.