ECLI:NL:GHSHE:2019:3623

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
200.259.177_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265f BWArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitbreiding contactmomenten tussen ouders en jonge drieling tijdens uithuisplaatsing

De ouders van een jonge drieling, die sinds juli 2018 onafgebroken onder toezicht staat en uit huis is geplaatst, hebben bij het gerechtshof hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Limburg. Zij verzochten om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) te laten vervallen en een nieuwe omgangsregeling vast te stellen, met uitbreiding van de contactmomenten, waaronder meerdere dagen per week en extra momenten op feestdagen en verjaardagen.

De GI en de Raad voor de Kinderbescherming verzochten de bestreden beschikking te bekrachtigen. De GI stelde dat de kinderen na contactmomenten met de ouders heftige reacties vertonen en dat begeleiding nodig blijft. De pleegouders bevestigden de onrust bij de kinderen na contact en benadrukten de problematische relatie tussen ouders en pleegouders.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:265f BW de GI contactmomenten kan beperken en dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en gemotiveerd is. Gezien de problematische situatie en het gedrag van de kinderen na contactmomenten, moet eerst onderzocht worden waar de onrust vandaan komt. Daarom is uitbreiding van de contactmomenten op dit moment niet in het belang van de kinderen.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Limburg en wees het verzoek van de ouders af. Het hof sprak de hoop uit dat de betrokken partijen zullen meewerken aan het hulpverleningstraject om de situatie te verbeteren.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing en uitbreiding van contactmomenten afwijst.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 3 oktober 2019
Zaaknummer: 200.259.177/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/262073 JE RK 19-686
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
en
[de vader],
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen respectievelijk: de moeder, de vader, of tezamen: de ouders,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman,
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
advocaat: mr. T. Visser .
Betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1], hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen,
allen geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[pleegmoeder],
en
[pleegvader],
wonenden te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder, de pleegvader of gezamenlijk: de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost-Nederland,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 april 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 9 mei 2019 met producties, ingekomen bij het hof op 10 mei 2019, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en een nieuwe omgangsregeling vast te stellen tussen de ouders en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van de uithuisplaatsing inhoudende:
- primair: in een opbouwende fase naar uiteindelijk drie maal per week onder begeleiding van hulpverlening van 09.00 uur tot 18.00 uur bij de moeder thuis en tevens de mogelijkheid tot uitbreiding van een overnachting per week;
- subsidiair: een regeling die het hof juist acht.
2.1.1.
Bij aanvullend beroepschrift van 26 juli 2019 met producties, ingekomen bij het hof op 29 juli 2019, hebben de ouders hun verzoek aangevuld. Zij verzoeken nu tevens om omgang met de drie kinderen op:
- de verjaardag van de drieling;
- Eerste Kerstdag;
- Paaszondag;
- Hemelvaart;
- Eerste Pinksterdag;
- Moederdag;
- Vaderdag;
- de verjaardag van de moeder;
- de verjaardag van de vader;
- de verjaardag van [zus] , zijnde de zus van de drieling;
- de verjaardag van [broer] , zijnde de broer van de drieling;
- extra omgang tijdens de vakanties, te weten drie dagen extra omgang als zij vakantie hebben. Dit dient dan een week van tevoren opgegeven te worden door de ouders.
2.1.2.
Verder heeft, in aanvulling op dan wel ter verduidelijking van bovenstaande verzoeken, de advocaat van de ouders tijdens de mondelinge behandeling op 13 augustus te kennen gegeven dat de omgang in beginsel onbegeleid kan plaats vinden. Mocht dit hof evenwel oordelen dat er - aanvankelijk - toch begeleiding nodig is, dan is begeleiding voorhanden via De Hoofdzaak.
2.2.
Bij verweerschrift van 4 juli 2019 met producties, ingekomen bij het hof op 9 juli 2019, heeft de GI het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 11 april 2019, ingekomen bij het hof op 4 juni 2019;
- de brief van de GI van 9 augustus 2019, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] .
2.4.1.
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2019.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door mr. T. Visser en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de pleegouders.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren:
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
3.2.
De ouders oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] .
3.3.
[minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] staan met ingang van 12 juli 2018 onafgebroken onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is door dit hof laatstelijk verlengd tot
10 april 2020.
3.4.
[minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn bij mondelinge uitspraak van 16 juli 2018 op grond van een daartoe strekkende spoedmachtiging uithuisgeplaatst. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is door dit hof laatstelijk verlengd tot 10 april 2020. De kinderen verblijven in het pleeggezin van de familie [pleegouders] .
3.5.
Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank het verzoek van de ouders tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 13 maart 2019 en het vaststellen van een nieuwe omgangsregeling voor de duur van de uithuisplaatsing afgewezen.
3.6.
De ouders kunnen zich daarmee niet verenigen en voeren in het kader van het door hen ingestelde hoger beroep tegen meergenoemde beschikking, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan. De ouders zijn aantoonbaar in staat voor de kinderen te zorgen: de rapportages zijn positief en de adviezen die de ouders krijgen worden opgevolgd. Dit betekent dat de ouders leerbaar zijn. Ook wordt in de overgelegde rapportages beschreven dat de kinderen gedurende de contactmomenten ontspannen zijn. De ouders kunnen dit daarom niet rijmen met het beweerdelijke zorgelijke gedrag dat de kinderen zouden vertonen na het contact met de ouders. Het is daarom de vraag of dit gedrag wel te relateren is aan het contact met de ouders. Het voorgaande houdt in dat er alle reden is de contactmomenten tussen de kinderen en de ouders uit te breiden. De ouders hebben in dit verband een mediator bereid gevonden die – mocht het hof begeleid contact noodzakelijk vinden – de contacten kan begeleiden. Ook kan deze mediator als verbindende factor optreden tussen de ouders en de pleegouders, nu de onderlinge verhouding op dit moment niet goed is.
3.7.
De GI voert, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan. Er is een aantal maanden geen contact geweest tussen de ouders en de kinderen. De regeling is uiteindelijk opnieuw opgestart met ingang van maart 2019. De kinderen laten na de contactmomenten met de ouders heftige reacties zien in de vorm van hysterisch huilen, overstrekken en het niet kunnen slapen. Dit duurt minimaal 24 uur. Ook hebben de ouders zelf nog altijd begeleiding en sturing nodig tijdens de omgang. De hulp van Stichting [stichting] is ingeschakeld om te zoeken naar de oorzaak van het gedrag van de kinderen. Ook zal Stichting [stichting] werken aan de verbinding tussen de ouders en de pleegouders.
Aangezien de ouders de doelen van de ondertoezichtstelling niet hebben behaald, is er inmiddels een verzoek ingediend voor een gezagsbeëindigende maatregel.
3.8.
De raad adviseert ter zitting in hoger beroep, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende. Hulpverlening is nodig om te kunnen komen tot een onbelast contact tussen de ouders en de kinderen. Ook moet er hulp worden ingezet om de samenwerking tussen de ouders en de pleegouders, en tussen de ouders en de GI, te verbeteren. Op dit moment hebben zowel de ouders als de GI eigen ideeën over de hulp die ingeschakeld moet worden. Het is van belang dat hierin één duidelijke lijn komt waaraan alle partijen zich committeren.
3.9.
De pleegouders brengen ter zitting in hoger beroep, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende naar voren. Zij, de pleegouders, gunnen de kinderen een goed contact met hun ouders. De pleegouders constateren evenwel dat de kinderen veel huilen na een contactmoment met de ouders. De kinderen laten zich dan moeilijk troosten. De pleegouders willen graag dat onderzocht wordt waar dit gedrag van de kinderen vandaan komt. Daarnaast willen de pleegouders zelf ook dat de relatie met de ouders wordt verbeterd. Op dit moment zijn er namelijk veel spanningen. De pleegouders hebben tenslotte aangegeven continue aandacht te hebben voor het zoeken naar een goed contactmoment tussen de ouders en de kinderen. Dit is echter wel moeilijk, omdat het dagritme van de drieling niet synchroon loopt.
3.10.
Het hof overweegt als volgt.
3.11.1.
Op grond van artikel 1:265f BW kan de GI in verband met de uithuisplaatsing van een minderjarige de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Ingevolge lid 2 van dit artikel geldt deze beslissing als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW Pro.
Artikel 1:264 BW Pro is van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van dit artikel kan de gezaghebbende ouder de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
3.11.2.
Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrechter. De kinderrechter toetst derhalve of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Ook beoordeelt de rechter of het in het belang van een minderjarige is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Bij die beoordeling gaat de rechtbank uit van de feiten en omstandigheden zoals die nu zijn.
3.11.3.
In navolging van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 13 maart 2019 hebben de contacten tussen de ouders en de kinderen wekelijks plaatsgevonden gedurende 2 uur op maandag, met daarbij de bepaling, dat deze regeling gehandhaafd zal blijven wanneer de kinderen hier goed op reageren en dit niet te belastend is voor de kinderen. Deze schriftelijke aanwijzing vormt een inperking van het contact tussen de ouders en de kinderen, aangezien zij eerder twee keer per week gedurende vijf uren met elkaar contact hadden. De contactmomenten worden begeleid door [instelling] .
3.11.4.
Het is het hof verder gebleken dat de verhouding tussen de ouders en de pleegouders zeer problematisch verloopt. Ter zitting bij het hof hebben echter zowel de ouders als de pleegouders aangegeven te willen gaan werken aan het verbeteren van die relatie. Betrokkenen hebben hierop toegezegd hun medewerking te zullen verlenen aan de hulp die Stichting [stichting] hen zal gaan bieden. Stichting [stichting] zal gaan inzetten op het, in overdrachtelijke zin, verbinden van de ouders en de pleegouders, en tevens gaan onderzoeken waar het gedrag van de kinderen na de contactmomenten met de ouders vandaan komt. Zolang dit traject niet is afgerond en de resultaten hiervan niet bekend zijn, kan er naar het oordeel van dit hof in het belang van de drieling geen sprake zijn van een uitbreiding van de contactmomenten tussen de kinderen en de ouders. Eerst zal de oorzaak van de onrust bij de kinderen moeten worden vastgesteld. Het hof spreekt de hoop uit dat, gelet op de gestelde doelen, de hulp van de Stichting [stichting] betrokkenen meer duidelijkheid zal bieden en dat in dit kader zowel de ouders als de pleegouders de door hun toegezegde medewerking daadwerkelijk gaan verlenen. Het zal de onderlinge verstandhouding zeer ten goede komen.
3.11.5.
Uit het voorgaande volgt dat de beperking van het contact op grond van de schriftelijke aanwijzing op goede gronden is verleend, nu een hogere frequentie van de contacten in elk geval op dit moment niet in het belang van de drieling is. Niet gesteld of gebleken is dat de aanwijzing niet zorgvuldig is opgesteld of onvoldoende is gemotiveerd.
3.11.6.
Het voorgaande, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, leidt er toe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beslissing van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 april 2019;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.D.M. Lamers en
C.A.R.M. van Leuven en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.