Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/246594/HA ZA 18-96)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties.
3.De beoordeling
Het hof zal hierna een nieuw overzicht geven van de tussen partijen vaststaande feiten.
b) [huurder van het schip] te [vestigingsplaats 1] (Zwitserland) (hierna: [huurder van het schip] ) huurt het schip sinds september 2015 van [appellante] . [huurder van het schip] exploiteert een onderneming die activiteiten ontplooit in de cultuur- en horecasector en maakt daarbij gebruik van het schip als evenementenschip/discotheek.
c) [geïntimeerde] exploiteert een scheepswerf in [vestigingsplaats 2] en houdt zich onder meer bezig met de reparatie en het onderhoud van schepen.
d) Op 8 januari 2016 heeft [geïntimeerde] op verzoek van [huurder van het schip] een offerte uitgebracht voor de verbouwing van het schip voor een begroot bedrag van € 1.461.600,-. Daarna hebben [geïntimeerde] en [huurder van het schip] op 14 januari 2016 een overeenkomst inzake de verbouwing van het schip gesloten, op grond waarvan [geïntimeerde] haar werkzaamheden zou verrichten in [vestigingsplaats 2] , op regiebasis met nacalculatie.
f) Op 25 februari 2016 heeft [huurder van het schip] per e-mail aan [geïntimeerde] bericht dat zij voor alle werkzaamheden de opdrachtgeefster is en dat facturen aan haar moeten worden gericht.
h) Op 16 maart 2016 heeft een inspectie van het schip plaatsgevonden in [vestigingsplaats 2] . Daarbij waren aanwezig: [medewerker van de huurder van het schip] (hierna: [medewerker van de huurder van het schip] ) namens [huurder van het schip] en [medewerker van appellante 1] (hierna: [medewerker van appellante 1] ) namens [appellante] .
i) Op 4 juli 2016 is het schip uit [vestigingsplaats 2] teruggereisd naar [vestigingsplaats 1] , waar het op
10 juli 2016 is aangekomen. Tijdens die reis zijn nog afrondende werkzaamheden verricht aan het schip.
j) Door [geïntimeerde] zijn in verband met de overeengekomen werkzaamheden voorschotfacturen gestuurd aan [huurder van het schip] en aan [appellante] .
k) [appellante] heeft in de periode van maart 2016 tot en met juni 2016 op de aan haar verstuurde facturen een bedrag van € 300.000,- (en niet € 400.000,-, zoals vastgesteld door de rechtbank) betaald aan [geïntimeerde] .
l) Op 7 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] een sms-bericht ontvangen van [huurder van het schip] , waarin stond dat een geschil was gerezen tussen [huurder van het schip] en [appellante] over de betaling van de verbouwing van het schip.
m) Op 17 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mailbericht ontvangen van dr. [Verwaltungsrat van appellante 2] namens [appellante] . Deze liet weten dat hij contact zocht als
‘einziger Verwaltungsrat’van [appellante] en berichtte verder dat [appellante] geen overeenkomst had met [geïntimeerde] en dat [huurder van het schip] de enige opdrachtgeefster en schuldenaar was van [geïntimeerde] . Aansluitend verzocht hij [geïntimeerde] daarom
‘sich für das Inkasso Ihrer Restforderungen direkt an die Bestellerin/Schuldnerin, die [huurder van het schip] bzw Herrn [medewerker van de huurder van het schip] , zu halten’.
n) Op 28 oktober 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden op het schip. Daarbij waren, onder meer, aanwezig: [directeur van geintimeerde] (directeur van [geïntimeerde] ), [medewerker van de huurder van het schip] en [medewerker van appellante 1] .
o) [medewerker van de huurder van het schip] heeft op 3 november 2016 een e-mailbericht verzonden aan, onder meer, [geïntimeerde] en [medewerker van appellante 1] , met daarin een samenvatting van de bespreking op 28 oktober 2016. In de e-mail stond, onder meer, dat [appellante] zich tijdens de bespreking bereid had verklaard om € 100.000,- te betalen aan [geïntimeerde] .
p) Op 10 november 2016 heeft [geïntimeerde] een betaling van € 100.000,- ontvangen van [appellante] .
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in het incident.
heeft het door [appellante] gestelde gemotiveerd betwist.
Tegen deze overwegingen van de rechtbank zijn - terecht - geen grieven of andere concrete bezwaren aangevoerd. Ook het hof gaat daarom uit van de toepasselijkheid van het EVEX en zal verder rekening houden met het volgende.
[huurder van het schip] is vrijwillig verschenen voor de rechtbank en heeft geen bevoegdheidsverweer gevoerd, zodat de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 24 EVEX Pro.
Dit betekent echter niet dat de rechtbank ook bevoegd is ten aanzien van [appellante] .
Op grond van die bepaling komt bevoegdheid toe:
a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: aan het gerecht van de plaats waar
waarbij geldt:
b) dat voor de toepassing van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, als de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt geldt
- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken: de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de zaken volgens de overeenkomst werden geleverd of hadden moeten worden geleverd;
- voor de verstrekking van diensten: de plaats in een door dit verdrag gebonden staat waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt,
en waarbij geldt:
c) dat punt a) van toepassing is indien punt b) niet van toepassing is.
nr. 38/81, ECLI:EU:C:1982:79, Effer/Kantner). De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken (zie HvJ EG 3 juli 1997, nr. C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337, Benincasa/Dentalkit). Het gaat erom de aanknopingspunten met de forumstaat te identificeren die de bevoegdheid van de aangezochte nationale rechter rechtvaardigen (zie HvJ EU 25 oktober 2012, nr. C-133/11, ECLI:EU:C:2012:664, Folien Fischer en Fofitec). Bij de beantwoording van de vraag naar zijn internationale bevoegdheid dient de nationale rechter acht te slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en dus ook op de stellingen van de gedaagde dienaangaande, maar behoeft geen uitgebreide bewijsprocedure te worden gevolgd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn (zie HvJ EU 28 januari 2015, nr. C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, Kolassa; HvJ EU l6 juni 2016, nr. C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566).
De (gestelde) overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante]
[geïntimeerde] heeft het door [appellante] gestelde gemotiveerd betwist.
‘Umbau’) van het schip op zich had genomen en daartoe omvangrijke, nader omschreven werkzaamheden (waaronder:
‘Stahlarbeiten’,
‘Holzarbeiten’,
‘Fliesarbeiten’,
‘Malerei’,
‘Interiörarbeiten’en
‘Kittarbeiten’) diende te verrichten.
Dit alles duidt naar het oordeel van het hof op het bestaan - tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] - van een overeenkomst
‘voor de verstrekking van diensten’in de zin van artikel 5 sub Pro 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX, meer in het bijzonder (en naar Nederlands recht gekwalificeerd) op het bestaan van een overeenkomst van aanneming van werk. Dat [geïntimeerde] ter realisering van de verbouwing gebruik heeft gemaakt van aanvankelijk aan haar (of aan door haar ingeschakelde derden) in eigendom toebehorende materialen doet hieraan niet af.
[appellante] heeft, in afwijking hiervan, gesteld dat tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] een koopovereenkomst betreffende roerende lichamelijke zaken is gesloten, althans een gemengde koop-aannemings-overeenkomst, maar heeft deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Met name heeft [appellante] niet toegelicht op welke - kennelijk door [huurder van het schip] in eigendom te verwerven - roerende lichamelijke zaken de overeenkomst heeft gezien. Voor zover [appellante] doelt op de materialen waarmee [geïntimeerde] het schip heeft verbouwd, overweegt het hof dat [appellante] niet heeft betwist dat deze materialen zijn aangebracht op en aan het schip en dat zijzelf (als eigenaar van de hoofdzaak, het schip) vervolgens door natrekking eigenaar is geworden van deze materialen. Dat de overeenkomst tussen [huurder van het schip] en [geïntimeerde] daarnaast ook betrekking heeft gehad op roerende lichamelijke zaken die
nietdoor natrekking eigendom zijn geworden van [appellante] , is gesteld noch gebleken.
Het hof gaat er daarom, met de rechtbank, van uit dat [huurder van het schip] met [geïntimeerde] een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten, en daarmee een overeenkomst
‘voor de verstrekking van diensten’in de zin van artikel 5 sub Pro 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX.
Het hof gaat er daarom, met de rechtbank, van uit dat [vestigingsplaats 2] (Nederland) heeft te gelden als de plaats
‘waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt’in de zin van artikel 5 sub Pro 1 onder b), tweede gedachtestreepje, EVEX.
3.5.4. [geïntimeerde] heeft haar stelling dat zij ook met [appellante] heeft gecontracteerd (zie
r.o. 3.2.2.) onderbouwd met een beroep op de volgende tussen partijen vaststaande feiten:
(a) [appellante] heeft ingestemd met het overbrengen van het schip van [vestigingsplaats 1] naar [vestigingsplaats 2] ; (b) [appellante] heeft ook ingestemd met de verbouwing van het schip door [geïntimeerde] ; (c) nadat door [huurder van het schip] was aangegeven dat [appellante] zou bijdragen aan de verbouwingskosten, heeft [geïntimeerde] een aantal voorschotfacturen rechtstreeks aan [appellante] verzonden; deze facturen zijn door [appellante] behouden en zijn door [appellante] vervolgens ook rechtstreeks aan [geïntimeerde] voldaan; (d) [medewerker van appellante 1] is door [appellante] afgevaardigd om aanwezig te zijn bij de inspectie van het schip op 16 maart 2016; (e) tijdens het overleg in [vestigingsplaats 1] op 28 oktober 2016 heeft [appellante] (bij monde van [medewerker van appellante 1] ) toegezegd om aanvullend € 100.000,- te betalen aan [geïntimeerde] ; [appellante] is deze toezegging vervolgens nagekomen op 10 november 2016; (f) in de loop van december 2016-februari 2017 is discussie ontstaan over de eindafrekening van [geïntimeerde] ; [medewerker van appellante 1] heeft zich daar namens [appellante] actief mee bemoeid en heeft op een zeker moment - vanwege de volgens hem tekortschietende inhoud van de eindafrekening - verdere betalingen door [appellante] aan [geïntimeerde] geweigerd.
heeft daarnaast gesteld dat [medewerker van appellante 1] de persoon is die - weliswaar feitelijk en op de achtergrond, maar niettemin - de overheersende zeggenschap heeft binnen [appellante] . Deze stelling is door [appellante] niet weersproken.
3.5.5. [appellante] heeft gesteld dat deze feiten niet kunnen leiden tot de conclusies die [geïntimeerde] eraan verbindt. Volgens [appellante] is zij uitsluitend als eigenaar van het schip betrokken geweest bij de verbouwing ervan, waarbij nog van belang is dat [huurder van het schip] een koopoptie op het schip heeft en [appellante] gerechtigd is om haar bijdrage aan de verbouwingskosten op te tellen bij de koopsom, als [huurder van het schip] gebruik zou maken van de optie.
[appellante] heeft verder gesteld dat zij betreurt dat zij de voorschotfacturen heeft behouden en rechtstreeks heeft betaald aan [geïntimeerde] , maar dat dit een en ander is gebeurd op een moment dat er nog geen problemen waren. Na het ontstaan van de problemen heeft zij [geïntimeerde] , bij monde van dr. [Verwaltungsrat van appellante 2] , duidelijk laten weten dat [geïntimeerde] zich voor de nog openstaande bedragen diende te wenden tot haar opdrachtgever en schuldenaar [huurder van het schip] .
De toezegging op 28 oktober 2016 om aanvullend € 100.000,- te betalen en de betaling zelf zijn volgens [appellante] onder dwang gedaan, omdat [geïntimeerde] anders niet aan haar de documenten had verstrekt die [appellante] als eigenaar van het schip diende te verstrekken aan de Zwitserse autoriteiten. Tot deze documenten behoorde ook een (kloppende) eindafrekening zijdens [geïntimeerde] .
Mede gelet op de tekortschietende feitelijke onderbouwing van haar standpunten, ziet het hof geen reden om [appellante] op dit moment toe te laten tot nadere bewijslevering, zoals door het horen van getuigen.
Het hof is daarbij, met de rechtbank, van oordeel dat in het midden kan blijven of [appellante] als partij is toegetreden tot de aannemingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [huurder van het schip] , of dat [appellante] enkel de verplichting tot betaling van (een deel van) de restant-aannemingssom op zich heeft genomen. Het hof gaat er daarbij van uit dat [appellante] deze laatste (gestelde) verplichting jegens [geïntimeerde] op zich heeft genomen als tegenprestatie voor de door [geïntimeerde] te verrichten/verrichte werkzaamheden aan het schip, waardoor zij als eigenaar van het schip én als verhuurder ervan aan [huurder van het schip] is gebaat. Daarvan uitgaande maakt ook deze laatste, meer beperkte, betalingsverplichting onderdeel uit van de aannemingsovereenkomst, zodat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd op artikel 5 sub Pro 1 onder b), tweede gedachtestreepje EVEX.
Voor zover hierover anders kan worden gedacht, sluit het hof zich aan bij de opvatting van de rechtbank dat de verbintenis tot betaling in Nederland dient te worden uitgevoerd, zodat bevoegdheid bestaat op grond van artikel 5 sub Pro 1 onder a). [geïntimeerde] heeft in verband hiermee - onweersproken - gesteld dat een geldschuld zowel naar Nederlands als naar Zwitsers recht een brengschuld is. [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan het oordeel van de rechtbank (tevens het subsidiaire oordeel van het hof) dat [vestigingsplaats 2] heeft te gelden als de plaats waar de restant-aannemingssom dient te worden betaald.
Gelet hierop oordeelt het hof dat de grieven 2, 3 en 4 niet kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
‘De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de Nederlandse rechter
[geïntimeerde] heeft deze stellingen van [appellante] kennelijk (ook) opgevat als grief en heeft het gestelde gemotiveerd betwist.
Voor het geval de rechtbank met haar genoemde oordeel echter heeft willen aangeven dat zij, uitgaande van haar bevoegdheid op de grondslag ‘overeenkomst’, ook bevoegd is om de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellante] te beoordelen op de beide andere grondslagen, maakt [appellante] daartegen terecht bezwaar. Ook in het kader van de toepassing van het EVEX geldt immers dat, voor zover de nationale rechter bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die zijn gebaseerd op overeenkomst, hij niet - op die grond - ook bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering die een andere grondslag hebben dan overeenkomst (zie o.m. HR 3 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9604, Spectra/Ziegler). Dat de vordering van [geïntimeerde] in alle gevallen strekt tot voldoening van hetzelfde geldbedrag doet er niet aan af dat qua bevoegdheid sprake is van drie afzonderlijke vorderingen.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat, doordat de op en aan het schip aangebrachte materialen door natrekking eigendom zijn geworden van [appellante] en doordat de nog openstaande facturen voor haar werkzaamheden terzake niet worden voldaan, [appellante] ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten nadele van [geïntimeerde] .
[appellante] heeft hier tegenover gesteld dat zij niet is gebaat, maar veeleer wordt geschaad door de verbouwing, omdat zij het schip daardoor in de toekomst alleen nog kan verhuren als horecaschip. [geïntimeerde] heeft vervolgens nader gesteld (cva in het incident nr. 18) dat het schip ook vóór de verbouwing al door [appellante] werd verhuurd als horecaschip en dat het schip daarnaast vóór de verbouwing in een deplorabele toestand verkeerde. [appellante] heeft vervolgens niet, zoals op haar weg had gelegen, haar eigen stellingen nader onderbouwd. Het hof gaat er daarom - in verband met het oordeel over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter - van uit dat [appellante] door de verbouwing is verrijkt, omdat zij door natrekking eigenaar is geworden van door [geïntimeerde] gebruikte materialen en het schip door de verbouwing in waarde is gestegen. Of de omvang van deze verrijking (ten minste) gelijk is aan het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag zal, zo nodig, moeten blijken in de hoofdzaak.
Ervan uitgaande dat de verrijking van [appellante] heeft plaatsgevonden door de genoemde natrekking, heeft deze verrijking (in elk geval in hoofdzaak) plaatsgevonden in [vestigingsplaats 2] , waardoor [vestigingsplaats 2] heeft te gelden als de
‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’in de zin van artikel 5 sub Pro 3 EVEX.
In verband met de grondslag ‘onrechtmatige daad’ heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellante] in twee opzichten onrechtmatig heeft gehandeld: (a) door de schijn te wekken dat de aanneemsom door [huurder van het schip] of [appellante] zou worden betaald, waarna [geïntimeerde] de verbouwing heeft voltooid en het schip heeft laten vertrekken naar [vestigingsplaats 1] , en (b) door te profiteren van de wanprestatie van [huurder van het schip] .
Het verwijt onder (a) wordt onderbouwd met een beroep op de feiten die ook ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op het bestaan van een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] . Het gaat hier voor een deel om gebeurtenissen in [vestigingsplaats 2] (zoals de bijeenkomst op 16 maart 2016, waarbij [medewerker van appellante 1] namens [appellante] aanwezig was) en om gedragingen van [appellante] die (volgens [geïntimeerde] ) hebben geleid tot het vertrouwen aan haar kant dat de verbouwing zou worden betaald, zodat [geïntimeerde] de werkzaamheden in [vestigingsplaats 2] heeft voltooid en het schip vanuit [vestigingsplaats 2] heeft laten vertrekken naar [vestigingsplaats 1] . Hiervan uitgaande kan [vestigingsplaats 2] worden gezien als de
‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’in de zin van artikel 5 sub Pro 3 EVEX. [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan dit oordeel.
Het verwijt onder (b) is niet nader onderbouwd. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich in dit verband wil beroepen op de feiten die ook ten grondslag zijn gelegd aan het beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Daarvan uitgaande is ook hier sprake van bevoegdheid op grond van artikel 5 sub Pro 3 EVEX (maar rijst de - in de hoofdzaak eventueel te beantwoorden - vraag hoeveel zelfstandige waarde dit OD-verwijt heeft).
€ 726,- aan griffierecht en op € 1.074,- (1 punt, tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.