Appellant is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) bij vonnis van 6 februari 2017. De rechtbank heeft op verzoek van de bewindvoerder de regeling tussentijds beëindigd wegens het niet nakomen van kernverplichtingen zoals afdrachtplicht en het ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij door persoonlijke omstandigheden tekort is geschoten en verzocht om verlenging van de regeling.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft appellant toegelicht dat zijn financiële situatie inmiddels is verbeterd, hij een hoger inkomen heeft, ondersteuning krijgt van familie en een bewindvoerder, en dat hij een plan heeft om de boedelachterstand en nieuwe schulden in te lopen. De bewindvoerder en beschermingsbewindvoerder hebben echter betoogd dat de financiële situatie nog niet toereikend is, er geen concreet aflossingsplan is en dat de boedelachterstand en nieuwe schulden te hoog zijn.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende kenbare grieven heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank en verklaart hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Daarnaast bevestigt het hof dat appellant ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen, waardoor de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd blijft. Het voorstel van een gift van een familielid wordt niet aanvaard als vervanging van de afdrachtplicht. Het arrest bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.