Verzoekster werd in 2013 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling vanwege haar leeftijd, depressie en arbeidsongeschiktheid. De rechtbank wees een tussentijdse beëindiging zonder schone lei af, maar stelde als voorwaarde dat verzoekster beschermingsbewind moest aanvragen, en verzocht de bewindvoerder dit nauwgezet te monitoren.
Na verloop van tijd ontstonden nieuwe schulden en werd het beschermingsbewind niet aangevraagd. De rechtbank beëindigde daarop de schuldsanering zonder schone lei wegens toerekenbare tekortkomingen van verzoekster. Het hof bekrachtigde dit oordeel, waarbij het nalaten van de bewindvoerder om het beschermingsbewind te monitoren niet werd meegewogen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door de nalatigheid van de bewindvoerder niet te betrekken bij de toerekenbaarheid. Gezien de psychische gesteldheid van verzoekster en de eerdere voorwaarden van de rechtbank, kon het hof niet zonder meer concluderen dat de tekortkomingen volledig aan verzoekster waren toe te rekenen.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten worden niet behandeld omdat ze geen belang hebben voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.