ECLI:NL:GHSHE:2019:3862
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis rechtbank in betwistingsprocedure derdenbeslag en vordering
In deze civiele zaak ging het om een betwistingsprocedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv, waarbij werd beoordeeld of de verklaring van appellante dat schuldeiser geen vordering op haar heeft, terecht werd betwist door geïntimeerde. Het hof nam de inhoud van het tussenarrest over en beoordeelde de aangeleverde stukken, waaronder een accountantsopgave en grootboekkaarten.
Het hof oordeelde dat de accountantsopgave over het eigen vermogen en oudedagsreserve per 1 januari 2015 juist was en dat de door appellante opgevoerde bedragen voor arbeidsbeloning en privémutaties voldoende waren onderbouwd. Posten betreffende mutaties in het tweede halfjaar 2015 werden niet voldoende onderbouwd en konden daarom niet in mindering worden gebracht op de schuld.
De vordering van schuldeiser op appellante werd vastgesteld op €47.305, waarmee het hoger beroep faalde omdat appellante niet in een slechtere positie mocht komen. De grief over verrekening faalde eveneens. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van geïntimeerde werd niet ontvankelijk verklaard omdat niet aan de gestelde voorwaarde was voldaan.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellante af.