Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
,op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verleend. De moeder betwist de uithuisplaatsing en voert aan dat het een ultimum remedium betreft en dat er alternatieven waren om dit te voorkomen. Zij stelt dat zij zich leerbaar heeft opgesteld en hulpverlening accepteert.
De gecertificeerde instelling (GI) voert aan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie van de minderjarige, het middelengebruik van de moeder en het ontbreken van een stabiele situatie. Het hof overweegt dat de wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn vervuld en dat de veiligheid van de minderjarige niet gegarandeerd kon worden bij de moeder.
Hoewel de moeder vooruitgang lijkt te boeken, is het resultaat en de bestendigheid daarvan onvoldoende om terugplaatsing te rechtvaardigen. Het contact tussen moeder en kind moet eerst worden hersteld. De GI zal een plan van aanpak opstellen met voorwaarden voor terugplaatsing. Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft en dat de verdragsregels van het EVRM zich niet verzetten tegen deze beslissing.
Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikkingen van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wegens noodzakelijkheid voor diens verzorging en opvoeding.