Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond; en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende was het niet eens met een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2008 en maakte bezwaar tegen de aanslag en heffingsrente. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Hof.
Tijdens de zitting van 5 oktober 2017 bereikten partijen mondeling een compromis: de Inspecteur zou de aanslag verminderen tot een belastbaar inkomen van € 25.000 en de heffingsrente dienovereenkomstig aanpassen, terwijl belanghebbende zijn aanspraak op immateriële schadevergoeding en andere aanspraken zou laten vallen. Belanghebbende trok dit later in een brief in, maar de Rechtbank weigerde het onderzoek te heropenen.
Het Hof oordeelde dat het proces-verbaal en de uitspraak van de Rechtbank de enige betrouwbare bronnen zijn van hetgeen ter zitting is besproken. Op basis hiervan werd vastgesteld dat een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het beroep op dwaling faalde omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een onjuiste voorstelling van zaken had. Ook werd geoordeeld dat de Inspecteur de afspraken is nagekomen.
Ten slotte werd vastgesteld dat de Inspecteur voldeed aan zijn verplichtingen op grond van artikel 8:42 Awb Pro en dat het hoger beroep ongegrond is, waarmee de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.