Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende verkreeg in 1994 een kantoorpand en bracht de omzetbelasting op de bouwkosten volledig in aftrek. In 1995 vervreemdde zij de economische eigendom aan een derde en huurde het pand terug. In 2015 verkreeg zij de economische eigendom terug en betaalde overdrachtsbelasting over deze terugverkrijging. Belanghebbende vorderde teruggaaf van deze overdrachtsbelasting op grond van onderdeel 10 van het Besluit van de Minister van Financiën, dat een vermindering van de maatstaf van heffing mogelijk maakt.
De kern van het geschil was of deze vermindering ook geldt als niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 9, lid 4, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) dat de omzetbelasting op de juridische verkrijging niet in aftrek kon worden gebracht. Het Hof oordeelde dat onderdeel 10 van het Besluit slechts een redelijke wetstoepassing is van artikel 9, lid 4, WBR en dat de voorwaarde van niet-aftrekbare omzetbelasting onverkort geldt.
Het Hof wees op de parlementaire geschiedenis en eerdere besluiten van de staatssecretaris die bevestigen dat dubbele heffing moet worden voorkomen maar dat de faciliteit niet geldt indien de omzetbelasting in aftrek is gebracht. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan bewijs van vergelijkbare gevallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot teruggaaf van overdrachtsbelasting bevestigd.