Conclusie
1.Inleiding
Rechtbank Zeeland-West-Brabantheeft geoordeeld dat onderdeel 10 van het Besluit verwijst naar ‘een redelijke wetstoepassing’, hetgeen volgens haar meebrengt dat onderdeel 10 enkel een uitbreiding van de faciliteit bevat voor samenloopgevallen die op grond van de wet in aanmerking komen voor vermindering van de maatstaf van heffing. Onderdeel 10 ziet volgens haar niet op gevallen buiten de wettelijke voorwaarden. Nu de belanghebbende de op de bouwkosten drukkende omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, komt zij volgens de wettekst niet in aanmerking voor vermindering van de maatstaf van heffing. Anders dan het geval was in HR
BNB1991/61, maakt onderdeel 10 van het Besluit de strekking van het beleid wel duidelijk; het vindt immers zijn grondslag in ‘een redelijke wetstoepassing’ van art. 9(4) Wet BvR. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daarom ongegrond verklaard.
BNB2018/20). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het doel van art. 9(4) Wet BvR is het mitigeren van dubbele heffing in situaties waarin dezelfde persoon van een onroerende zaak zowel de juridische als de economische eigendom verkrijgt. Ook het Hof meent dat de term ‘redelijke wetstoepassing’ in onderdeel 10 aanduidt dat de maatstafvermindering alleen geldt als de op de eerste verkrijging verschuldigde overdrachts- of omzetbelasting niet aftrekbaar was. Het Hof verwijst naar het besluit van 6 augustus 1997, nr. VB96/3452 en het besluit van 27 november 2001, nr. CPP2001/2184M, waarin punt 10 zijn oorsprong vindt. De vermindering van de heffingsgrondslag is alleen aan de orde als aan de voorwaarden van art 9(4) Wet BvR is voldaan; invoering van punt 10 heeft daarin geen verandering gebracht.
cassatiebetoogt de belanghebbende dat onderdeel 10 van het Besluit een verruiming van de ontdubbelingsregel is en een goedkeuring inhoudt, dus begunstigend afwijkt van de wet. Uit het besluit blijkt op geen enkele wijze dat sprake moet zijn van
niet-aftrekbare btw. Het besluit is een beleidsregel in de zin van art. 1:3(4) Awb en uit HR 19 december 1990,
BNB1991/61 volgt dat bij goedkeuringen een niet met zoveel woorden uit de beleidsregel blijkende strekking buiten beschouwing blijft: als de Staatssecretaris meende dat
niet-aftrekbaarheid van de btw vereist was, hij dat had in het besluit moeten vermelden. De belanghebbende mocht in redelijkheid vertrouwen op de duidelijke tekst van het Besluit. De noodzaak van aanpassing van onderdeel 10 bij het Besluit van 22 februari 2017 (nr. 2017-36415) laat zien dat uit het op de belanghebbende toepasselijke Besluit niet volgde dat de btw niet-aftrekbaar moest zijn.
nietzegt: het zegt niet dat alleen
niet-aftrekbare omzetbelasting kwalificeert. Ik neem daarom aan dat zij op het punt van natrekking hetzelfde standpunt inneemt: ook al eist de wet dat ook de eerste verkrijging een verkrijging ‘in de zin van art. 2 Wet Pro BvR’ moet zijn (waar natrekking niet onder valt), dat is niet relevant omdat onderdeel 10 dat
nieteist. De strekking van haar beroep blijft dan dezelfde, maar dient er dan toe om niet één, maar
tweewettelijke klippen te omzeilen via onderdeel 10, dat over beide klippen niets zegt. Haar stelling blijft is dan dat onderdeel 10 de ontdubbelingsregel van art. 9(4) uitbreidt tot gevallen waarin de omzetbelasting op de eerste verkrijging wél aftrekbaar was én tot gevallen waarin de eerste verkrijging krachtens natrekking geschiedde hoewel natrekking geen verkrijging is ‘in de zin van art. 2 Wet Pro BvR’.
BNB1980/218 en HR
BNB2018/20 volgt dat bij de uitleg van beleidsregels ervan moet worden uitgegaan dat belastingplichtigen die hebben moeten begrijpen zoals zij naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze moeten worden opgevat. Niet zozeer de bedoeling van de beleidsregelgever of de strekking van de regeling is dus beslissend, maar veeleer het vertrouwen dat een belastingplichtige, objectief bezien, aan de beleidsregel ontleent. HR
BNB1980/218 houdt daarnaast in dat als uitleg van een beleidsregel zowel in overeenstemming met de wet als in strijd met de wet mogelijk is, de uitleg in overeenstemming met de wet de voorkeur heeft als de beleidsregel een interpretatieve regel is. De belanghebbende ziet in onderdeel 10 echter geen interpretatie, maar een goedkeuring, die ook
contra legemrechtens vertrouwen wekt, zodat een resultaat dat afwijkt van de tekst van art. 9(4) Wet BvR geenszins vertrouwensberoep uitsluit. De Staatssecretaris ziet in onderdeel 10 een interpretatieve beleidsregel, zodat bij twijfel een uitleg conform de wet moet volgen, hetgeen betekent dat aan alle (overige) voorwaarden van art. 9(4) Wet BvR moet zijn voldaan.
niet-aftrekbaarheid duidelijk beter aansluit bij de strekking van art. 9(4) Wet BvR (ontdubbeling), volgens HR
BNB1991/61 er op zichzelf niet toe dat aan het Besluit geen vertrouwen kan worden ontleend als die strekking niet ‘met zoveel woorden’ uit het Besluit zelf blijkt. Anders dan de beleidsregel in HR
BNB1991/61, verklaart onderdeel 10 van het Besluit echter met zoveel woorden dat een ‘redelijke wetstoepassing’ van art. 9(4) Wet BvR is beoogd. Art. 9(4) Wet BvR strekt tot ontdubbeling van de heffing bij eerst de juridische en vervolgens de economische verkrijging, of andersom, door dezelfde persoon. Een toepassing van die bepaling die niet leidt tot die
ontdubbelingmaar tot
verdwijningvan zelfs
enkelvoudigebelasting is mijns inziens geen redelijke toepassing van die bepaling, maar eerder een
onredelijke toepassing. De strekking van een begunstigende beleidsregel hoeft trouwens volgens HR
BNB1993/272 niet ‘met zoveel woorden’ in die beleidsregel zelf te zijn opgenomen als belastingplichtigen die strekking - geobjectiveerd bezien - ook zonder ‘zoveel woorden’ moeten begrijpen of indirect uit een andere tegelijk gepubliceerde bron kunnen opmaken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB1991/61 omdat in onderdeel 10 van het Besluit de strekking van de beleidsregel wél wordt aangeduid; hij vindt immers zijn grondslag in een ‘redelijke wetstoepassing’ van art. 9(4) Wet BvR.
NLF2019/0834) meent met de Rechtbank dat, anders dan in HR
BNB1991/61, de strekking van de beleidsregel wel is vervat in de beleidsregel door de verwijzing naar een redelijke toepassing van art. 9(4) Wet BvR:
BNB2018/20 [5] ). Uit de parlementaire geschiedenis heeft het Hof afgeleid dat het doel van art. 9(4) Wet BvR is het mitigeren van dubbele heffing als dezelfde persoon van één onroerende zaak zowel de juridische als de economische eigendom verkrijgt. Volgens onderdeel 10 van het Besluit brengt redelijke wetstoepassing van art. 9(4) Wet BvR mee dat ook bij
terugverkrijging van economische eigendom de maatstaf van heffing van overdrachtsbelasting wordt verminderd met het bedrag waarover de juridische eigenaar bij de verkrijging van de juridische eigendom al overdrachtsbelasting of omzetbelasting was verschuldigd. ‘Redelijke wetstoepassing’ geeft volgens het Hof aan dat die vermindering alleen geldt als de op de eerste verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting of omzetbelasting niet aftrekbaar was. Het Hof verwijst naar het besluit van 6 augustus 1997, nr. VB96/3452 en het besluit van 27 november 2001, nr. CPP2001/2184M, waarin punt 10 zijn oorsprong vindt. Onderdeel 10 bracht daarom volgens het Hof geen verandering in de hoofdregel van art. 9(4) Wet BvR dat voor vermindering van de heffingsgrondslag aan de voorwaarden van art. 9(4) Wet BvR moet zijn voldaan. Nu de belanghebbende de op het kantoorpand drukkende omzetbelasting in aftrek heeft gebracht waardoor zij niet meer op de belanghebbende drukte, had zij volgens het Hof moeten begrijpen dat uit onderdeel 10 van het Besluit voor haar geen vermindering van de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting voortvloeide.
NTFR2020/34) achtte ’s Hofs oordeel juist, gegeven de doelstelling van het Besluit en van art. 9(4) Wet BvR (ontdubbeling van belasting) en ziet daarvan bevestiging in de actualisatie van het Besluit in 2017:
3.Het geding in cassatie
junctoonderdeel 10 van het Besluit.
BNB1983/150). HR
BNB1991/61 geeft volgens de belanghebbende aan wat ‘objectieve beschouwing’ is: bij de uitleg van een beleidsregel komt geen gewicht toe aan de bedoeling van de beleidsregelgever als die strekking niet met zoveel woorden in de tekst tot uitdrukking is gebracht. Als de Staatssecretaris meende dat de op de verkrijging verschuldigde btw niet-aftrekbaar moest zijn, dan had hij dat moeten vermelden. De belanghebbende meent dat zij objectief bezien redelijkerwijs mocht afgaan op de tekst van het Besluit.
de Staatssecretarisleidt uit de rechtspraak en de literatuur af dat bij de uitleg van beleidsregels ervan moet worden uitgegaan dat belastingplichtigen deze hebben moeten begrijpen zoals deze naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze moeten worden opgevat, [6] maar ook dat de rechter bij twijfel de voorkeur moet geven aan uitleg in overeenstemming met de wet. [7] Onderdeel 10 van het Besluit behelst een volgens de Staatssecretaris redelijke wetstoepassing van art. 9(4) Wet BvR, die meebrengt dat de grondslagvermindering ex art. 9(4) Wet BvR ook kan worden toegepast als de juridische eigenaar die de economische eigendom heeft vervreemd deze weer terug krijgt. Onderdeel 10 beperkt zich tot de uitleg van dat aspect van art. 9(4) Wet BvR, zodat de overige voorwaarden van die bepaling onverlet blijven. Het Besluit bracht geen wijziging van eerdere besluiten. Bij de uitleg van onderdeel 10 van het besluit, dat art. 9(4) Wet BvR uitlegt, moeten doel en strekking van art. 9(4) Wet BvR in acht worden genomen. De door de belanghebbende voorgestane uitleg van onderdeel 10 acht de Staatssecretaris in wezen
contra legem, omdat die uitleg leidt tot een resultaat dat verder strekt dan uit art. 9(4) Wet BvR volgt en aan het doel van die bepaling (ontdubbeling) voorbij gaat. De aanpassing van het Besluit in 2017 doet daar volgens de Staatssecretaris niet aan af.
4.De ontdubbelingsregeling van art. 9(4) Wet BvR
10. Terugoverdracht economische eigendom aan de juridische eigenaar
oorspronkelijke juridische eigenaar, die de economische eigendom heeft afgesplitst, later de economische eigendom weer
terugverwerft, brengt redelijke wetstoepassing mee dat art. 9, lid 4, WBR ook wordt toegepast. Aldus onderdeel 10 van het besluit van 19 februari 2007. [13] Het is in zo’n geval niet van belang
5.Van ambtswege: natrekking; was er wel een ‘verkrijging’?
BNB2012/268 [20] werd een beroep gedaan op art. 9(4) Wet BvR
junctoonderdeel 10 van het Besluit. Die zaak week op verschillende punten af van die van de belanghebbende: (i) in geschil was ook of de belanghebbende de juridische en economische eigendom wel bezat en of dus wel sprake kon zijn van economische (terug)verkrijging in de zin van onderdeel 10 van het Besluit, (ii) de verkrijging van de volle eigendom van de grond en de daarop gestichte gebouwen was vrijgesteld ex art. 15 (1)(h) Wet BvR en (iii) de belanghebbende beriep zich niet alleen op onderdeel 10, maar ook op onderdeel 9 van het Besluit. De belanghebbende had op de door haar vrijgesteld verkregen gronden met gebouwen zelf ook nog gebouwen gesticht en de daarop verschuldigde omzetbelasting in aftrek gebracht. Vervolgens was zij in 2001 een CV aangegaan met haar dochtermaatschappij waarin in 2002 ook derden participeerden. De belanghebbende vestigde in 2005 ten gunste van haar dochter erfpachtrechten op de onroerende zaken en bracht de economische gerechtigdheid tot die erfpachtrechten in in de CV. In 2008 verwierf de belanghebbende de CV-participatie van één van de eerder toegetreden derden; zij betaalde op die verkrijging overdrachtsbelasting over de waarde van de onroerende zaken die door die participatie werd vertegenwoordigd, maar vroeg die belasting terug omdat zij meende dat die (terug)verkrijging van economische eigendom onder onderdeel 10 van het Besluit viel. Ervan uitgaande dat die belanghebbende volle eigenaar was geweest en zij een economische eigendom terugverkreeg, maakte ik in mijn conclusie voor de toepassing van art. 9(4) Wet BvR
junctoonderdeel 10 Besluit een onderscheid tussen (i) de gronden met gebouwen die de belanghebbende aanvankelijk verkreeg en (ii) de gebouwen die zij daarna zelf nog daarop stichtte en dus door natrekking verkreeg. Bij die laatste gebouwen kon mijns inziens hoe dan ook geen sprake zijn van toepassing van art. 9(4) Wet BvR:
nietzegt: het zegt niet dat alleen
niet-aftrekbare omzetbelasting kwalificeert. Ik neem daarom aan dat zij op het punt van natrekking hetzelfde standpunt inneemt: ook al zegt de wet dat ook de eerste verkrijging (in casu: de bouw) een verkrijging ‘in de zin van art. 2 Wet Pro BvR’ moet zijn (waar natrekking niet onder valt), dat is niet relevant omdat onderdeel 10 dat
nieteist. De strekking van haar beroep blijft dan dezelfde, maar dient er dan toe om niet één, maar
tweewettelijke klippen te omzeilen via onderdeel 10, dat over beide klippen niets zegt. Haar stelling blijft dan dat onderdeel 10 begunstigend beleid inhoudt door de ontdubbelingsregel van art. 9(4) uit te breiden tot gevallen waarin de omzetbelasting op de eerste (juridische) verkrijging wel aftrekbaar was én tot gevallen waarin de eerste (juridische) verkrijging krachtens natrekking geschiedde hoewel natrekking geen verkrijging is ‘in de zin van art. 2 Wet Pro BvR’.
6.De uitleg van onderdeel 10 van het Besluit
BNB1990/194 [21] heeft u ook de uitleg van beleidsregels tot uw taak gerekend, gelet op het toenemende belang daarvan in de verhouding tussen overheid en burger en de daarmee samenhangende toenemende behoefde aan eenduidige interpretatie van en zekerheid over de inhoud en strekking van die regels. U heeft daarom beleidsregels die zich lenen voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangemerkt als ‘’recht’’ in de zin van art. 99 (thans art. 79) Wet RO (maar niet in de zin van art. 48 Rv Pro (thans art. 8:69 Awb Pro en art. 25 Rv Pro), zodat de rechter niet verplicht is hen van ambtswege toe te passen). U omschreef beleidsregels als volgt:
contra legemis, sluit een geslaagd beroep op de beleidsregel dus niet uit. Algemene rechtsbeginselen, met name het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, kunnen onder omstandigheden boven de wet, hetgeen niet betekent dat de wet niet meer zou gelden, maar dat hij in bepaalde individuele gevallen buiten toepassing moet worden gelaten. Als de fiscus zijn gedragslijn in een beleidsregel heeft gepubliceerd, gaat honorering van het daardoor gewekte vertrouwen boven strikte toepassing van de wet, ook als de fiscus daartoe niet de beleidsvrijheid had. [24]
BNB2018/20: [25] bij de uitleg van beleidsregels moet ervan worden uitgegaan dat belastingplichtigen deze hebben moeten begrijpen zoals zij naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze moeten worden opgevat.
BNB1980/218, [26] waarin u ook aangaf dat bij meer uitlegmogelijkheden een uitleg in overeenstemming met de wet uiteraard de voorkeur verdient. Die zaak betrof de vraag tot welk bedrag een weduwenpensioen in mindering kwam op de weduwenvrijstelling in de Successiewet 1956. De weduwe beriep zich op de Leidraad Successiewet 1956, die voor haar gunstiger regels dan die van de wet gaf voor de berekening van de vermindering. U oordeelde:
contra legemluidt: [27]
terugverkrijging, en hij heeft geconcludeerd dat de wetgever voor dat geval ontdubbeling bedoelde. Ik meen daarom met de Staatssecretaris dat het om een interpretatieve beleidsregel gaat die de strekking van de wet (ontdubbeling) beter dan de wettekst zelf tot uitdrukking brengt en dat daarom een uitleg in overeenstemming met de wet (alleen toepassen als er iets te ontdubbelen valt) de voorkeur verdient, zodat belanghebbendes beroep mijns inziens faalt, nog afgezien van het bezwaar tegen haar opvatting dat haar eerste (juridische) verkrijging kennelijk geen ‘verkrijging in de zin van art. 2 Wet Pro BvR’ was (maar natrekking) en niets in onderdeel 10 suggereert dat de Minister dat wettelijke vereiste zou willen veronachtzamen.
BNB1995/27 [30] vindt geen steun in het recht de opvatting dat de beginselen van behoorlijk bestuur meebrengen dat als een beleidsregel op meer wijzen kan worden kan worden, in beginsel de voor de belastingplichtige gunstigste uitleg prevaleert.
BNB1991/61 [31] op dat bij de uitleg van een beleidsregel geen gewicht toekomt aan de bedoeling van de beleidsregelgever als die bedoeling niet met zoveel woorden in de tekst van de beleidsregel tot uitdrukking is gebracht, zodat de Minister, als hij meende dat alleen
niet-aftrekbare btw kwalificeerde, hij dat in de beleidsregel had moeten zetten. HR
BNB1991/61 betrof een rechtspersoon die in 1982 van haar moedermaatschappij een inventaris kocht, ter zake waarvan de moeder een desinvesteringsbetaling verschuldigd werd, die zij niet had voldaan. De belanghebbende beriep zich op het vertrouwen dat de resolutie
BNB1981/167 bij haar had gewekt dat zij desondanks aanspraak had op investeringsbijdragen ter zake van die inventaris. Het Hof gaf de belanghebbende gelijk omdat op geen enkele wijze uit de tekst van de resolutie bleek dat de desinvesteringsbetaling daadwerkelijk betaald moet zijn alvorens investeringsbijdrage zou worden verleend; de resolutie maakt slechts gewag van het ‘verschuldigd’ zijn van een desinvesteringsbetaling. U verwierp het cassatieberoep daartegen van de Staatssecretaris:
niet-aftrekbaarheid duidelijk beter aansluit bij de strekking van art. 9(4) Wet BvR (ontdubbeling), volgens HR
BNB1991/61 op zichzelf niet tot het oordeel dat de belanghebbende aan het Besluit geen vertrouwen kan ontlenen als die strekking niet ‘met zoveel woorden’ uit het Besluit zelf blijkt. De vraag is dan wat onder ‘met zoveel woorden’ moet worden verstaan. De rechtbank heeft terecht opgemerkt dat, anders dan de beleidsregel in geschil in HR
BNB1991/61, onderdeel 10 van het Besluit met zoveel woorden verklaart dat het een redelijke wetstoepassing van art. 9(4) Wet BvR beoogt. Art. 9(4) Wet BvR strekt tot ontdubbeling van dubbele belastingheffing bij eerst de juridische en vervolgens de economische verkrijging, of andersom, van hetzelfde object door dezelfde persoon. Een toepassing van die bepaling die niet leidt tot die
ontdubbelingmaar tot
verdwijningvan zelfs enkelvoudige belasting kan mijns inziens bezwaarlijk gezien worden als een ‘redelijke’ toepassing van die bepaling; dat lijkt mij eerder een
onredelijke toepassing.
BNB1993/272 [32] betrof evenals HR
BNB1991/61 een begunstigende beleidsregel uit de tekst waarvan de strekking niet met zoveel woorden bleek. De belanghebbende rechtspersoon/werkgever in die zaak was fiscaal beboet in de loonbelasting voor zwarte loonbetalingen. Haar boekhouder/werknemer was ter zake van hetzelfde feitencomplex strafrechtelijk deels vrijgesprokenen deels veroordeeld. Paragaaf 19(3) Leidraad administratieve boeten 1984 (LAB) bepaalde:
ne bis in idembeginsel en dat daaruit weer volgt dat het om dezelfde persoon moet gaan:
BNB1993/272: