Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
- Ook de brief die ik op 8 mei 2018 persoonlijk aan de heer [directeur] heb voorgelezen (waarin ook de handtastelijkheden ter sprake worden gebracht) is op jouw advies en aandringen aan de advocaat aan de werkgever gestuurd(…)
- Je hebt me niet gewezen op de gevolgen van het nasturen van deze brief (o.a. het starten van een onderzoek naar seksuele intimidatie door de werkgever) en je hebt vooraf geen afwegingen gemaakt om dit wel of niet te doen;
- Je hebt van tevoren niet gekeken hoe groot de bewijslast was, zowel van de overuren als van de seksuele intimidatie. Je hebt je gelijk agressief naar de werkgever toe opgesteld en steeds aangegeven dat ik zelf ontslag wou nemen.
Over dat arbeidsconflict is door dit hof op 29 augustus 2019 geoordeeld, alsook over de betekenis van de beschuldigingen van seksuele intimidatie (r.o. 3.4.4. en 3.5.4) in het kader van het arbeidsconflict. Hierbij heeft het hof geoordeeld dat geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] .
Er blijkt derhalve niet (summierlijk) van enige door [geïntimeerde] gepleegde onrechtmatige daad. De vordering van [appellante] is derhalve niet summierlijk onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Het verzoek tot verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag wordt derhalve afgewezen.