ECLI:NL:GHSHE:2019:4190

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 november 2019
Publicatiedatum
14 november 2019
Zaaknummer
200.260.989_01, 200.261.021_01 en 200.262.921_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:265d lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen voortijdige beëindiging uithuisplaatsing en verzoek tot wijziging hoofdverblijf en omgang kinderen

In deze civiele zaak staat het hoger beroep van de vader centraal tegen beslissingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de uithuisplaatsing, hoofdverblijf en omgang met zijn drie minderjarige kinderen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en geplaatst in een gezinshuis vanwege problematiek bij beide ouders.

De vader verzoekt de voortijdige beëindiging van de uithuisplaatsing ongedaan te maken en de kinderen bij hem te plaatsen. Tevens vraagt hij wijziging van het hoofdverblijf en uitbreiding van de omgangsregeling. De GI en de moeder verzetten zich hiertegen, stellende dat de situatie bij de moeder niet stabiel is en dat de kinderen baat hebben bij de neutrale plaatsing in het gezinshuis met professionele begeleiding.

Het hof overweegt dat de eerdere machtiging tot uithuisplaatsing is beëindigd en inmiddels een nieuwe machtiging is afgegeven voor plaatsing in een gezinshuis. Het verzoek tot herplaatsing bij de vader wordt daarom afgewezen. Ook wordt het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf afgewezen vanwege de lopende strafrechtelijke onderzoeken en de zware hechtingsproblematiek van de kinderen. De omgangsregeling blijft beperkt tot begeleide contacten. De bestreden beschikkingen worden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikkingen en wijst de verzoeken van de vader af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 14 november 2019
Zaaknummers : 200.260.989/01, 200.262.921/01 en 200.261.021/01
Zaaknummers 1e aanleg : C/02/354411 JE RK 19-127, C/02/356587 JE RK 19-528 en
C/02/335342/ FA RK 17-4964
in de zaken met nummers 200.260.989/01 en 200.262.921/01 in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F. Ergec,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI
en in de zaak met nummer 200.261.021/01 in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F. Ergec,
tegen
[de moeder]
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.F.A. Cadot
Als belanghebbende in de zaak met nummers 200.260.989/01 en 200.262.921/01 wordt aangemerkt:
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
Als belanghebbende in de zaak met nummer 200.261.021/01 wordt als belanghebbende aangemerkt:
- de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de twee beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 maart 2019 en de beschikking van diezelfde rechtbank van 15 april 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juni 2019, heeft de vader in de zaak met zaaknummer 200.260.989/01 verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de uithuisplaatsing van de nader te noemen kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ten onrechte (voortijdig) is beëindigd en de kinderen wederom uithuisgeplaatst dienen te worden geplaatst bij de vader.
2.1.1.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 augustus 2019, heeft de GI in de zaak met zaaknummer 200.260.989/01 verzocht de bestreden beschikking in stand te laten. De inhoud van het verweer en de weergave van de recente ontwikkelingen zien ook op de andere zaken.
2.1.2.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2019, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.2.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juni 2019, heeft de vader in de zaak met zaaknummer 200.261.021/01 verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt met wijziging van de beschikking van 13 juli 2017, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.
2.2.1.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2019, heeft de moeder in de zaak met zaaknummer 200.261.021/01 verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 12 juli 2019, heeft de vader in de zaak met zaaknummer 200.262.921/01 verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vader gerechtigd is tot contact met de kinderen gedurende een weekend in de twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur.
2.3.1.
Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 6 augustus 2019 heeft de moeder in de zaak met zaaknummer 200.621.921/01 verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Ergec;
- de moeder, bijgestaan door mr. Cadot;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
Het hof heeft in dossier met zaaknummer 200.260.989/01 voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 februari 2019;
  • het procesdossier uit de eerste aanleg ingediend door de advocaat van de vader.
2.5.1.
Het hof heeft in dossier met zaaknummer 200.262.921/01 voorts kennis genomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 april 2019;
  • het procesdossier uit de eerste aanleg, ingediend door de advocaat van de vader.
2.5.2.
Het hof heeft in dossier met zaaknummer 200.261.021/01 voorts kennis genomen van de inhoud van:
- het procesdossier uit de eerste aanleg, ingediend door de advocaat van de vader.

3.De beoordeling

3.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de verschillende verzoeken van de vader, zal het hof deze verzoeken gevoegd behandelen en beslissen.
3.2.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2010, te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012, te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] ( hierna: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2014, te [geboorteplaats] .
Beide ouders dragen het gezag over de kinderen.
3.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 november 2019.
Bij beschikking van 3 juli 2019 is een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een voorziening voor pleegzorg of accommodatie voor jeugdhulpverlening 24-uurs tot 21 november 2019.
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 15 maart 2019 (zaaknummer C/02/354411/JE RK 19-127) heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de GI te gelasten de voortijdige beëindiging van de uithuisplaatsing van de kinderen ongedaan te maken en te bepalen dat de kinderen aan de vader worden toevertrouwd in het kader van de uithuisplaatsing, afgewezen.
Bij de andere bestreden beschikking van 15 maart 2019 (zaaknummer C/02/335342/FA RK 17-4964) heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen naar de vader, afgewezen.
Bij de bestreden beschikking van 15 april 2019 (zaaknummer C/02/356587/ JE RK 19-528) heeft de rechtbank onder wijziging van de beschikking van 13 juli 2017 bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleid contact met de kinderen eenmaal per veertien dagen gedurende anderhalf tot twee uren, waarbij de begeleiding plaatsvindt door tussenkomst van [naam] .
3.5.
De vader kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De vader voert in de beroepschriften, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep, - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de opvoedingssituatie bij de moeder voldoet aan hetgeen de kinderen nodig hebben en die bij de vader niet. De vader heeft ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder en hij is bang voor een terugval, gelet op het verleden en de situatie rondom haar (terminale) ziekte. Inmiddels is de angst van de vader realistisch gebleken, aangezien de kinderen op korte termijn op grond van een beschikking daartoe opnieuw uit huis geplaatst zullen worden in een gezinshuis. Ook hier is de vader het niet mee eens. Hij wil de kinderen zelf weer bij hem thuis verzorgen en opvoeden. De vader geeft aan rustiger te zijn geworden en ook beter met dingen om te kunnen gaan. Het was voor hem ook niet niets om drie kinderen op te voeden in combinatie met een fulltime baan. De vader heeft verklaard geen begeleiding van praktijk [praktijk] meer te hebben, maar wel nog van [naam] in het kader van de omgang. De agressieregulatietraining bij [praktijk] is met goed gevolg afgerond.
Ten aanzien van het strafrechtelijk onderzoek naar de vader op grond van uitlatingen van de kinderen over grensoverschrijdend gedrag, stelt de vader dat hij niet snapt waar dit vandaan komt. Hij heeft de kinderen in het kader van ziekte weleens een zetpil gegeven, maar dat hoort een vader te kunnen doen, evenals het kunnen afdrogen van de kinderen na het douchen.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift - zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep, - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan.
De situatie bij de moeder werd destijds op basis van een inschatting voldoende bevonden. De basis voor die inschatting vormen de rapportages van alle drie de kinderen van [instelling] van 22 oktober 2018. Echter, helaas is toch gebleken is dat de situatie bij de moeder thuis niet goed heeft uitgepakt gelet op zowel haar gebrek aan draagkracht als de onvoorspelbaarheid van haar ziekteverloop in combinatie met de kindeigen problematiek van de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij nu neutraal geplaatst gaan worden. De intakefase loopt nog en er is naar ieders tevredenheid kennisgemaakt. Op korte termijn zal worden overgegaan tot plaatsing in het gezinshuis.
Uit het onderzoek van [instelling] is gebleken dat de vader onvoldoende affectie toont en niet sensitief op de kinderen kan reageren. De kinderen kampen met een forse hechtingsproblematiek en het gezinshuis kan hen een blijvende perspectiefbiedende setting bieden die tegemoet komt aan hun specifieke behoeften. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de vader op basis van verklaringen van de kinderen over seksueel overschrijdend gedrag. In het belang van dit onderzoek is de GI niet in de positie over dit onderzoek nadere uitlatingen te doen. Zolang het onderzoek nog loopt, acht de GI het van belang voor de kinderen dat het contact tussen hen en de vader wordt begeleid door professionals vanuit [naam] en niet, zoals de vader wenst, door kennissen van de vader. Zodra er duidelijkheid is, zal er gekeken kunnen worden naar de uitbreiding van de omgang van de vader, waarbij ook rekening dient te worden gehouden met de moeder. De GI is van mening dat de rechtbank op goede gronden het verzoek van de GI tot wijziging van de eerdere omgangsregeling heeft toegewezen.
De GI is verder van mening dat het hoofdverblijf van de kinderen niet dient te worden gewijzigd, temeer nu de GI inzet op een perspectiefbiedende plaatsing in het gezinshuis, zodat de kinderen daar zullen opgroeien en niet in de thuissituatie bij een ouder.
3.8.
De moeder heeft bij verweerschrift - zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan.
Het raadsrapport is eenzijdig gekleurd en geeft geen goed beeld van de huidige situatie. De situatie van de moeder in 2017 was een heel andere dan in 2019. De moeder kreeg destijds te maken met haar ziekte, de verwerking van de echtscheiding en ook haar woonsituatie was niet stabiel. De moeder is aan zichzelf en haar situatie gaan werken en heeft thans hulpverlening in de thuissituatie. Ook is haar ziekte gestabiliseerd. De moeder heeft veel aandacht en liefde voor de kinderen, maar energetisch kan zij niet veel aan. Daarbij hebben de kinderen een forse kindeigen problematiek.
Op de thuissituatie bij de vader is nooit zoveel zicht gekomen. De moeder heeft zelf ook altijd veel geslotenheid ervaren bij de vader. De moeder is het eens met de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis. De draagkracht en de draaglast is niet in verhouding, dus de ouders kunnen het niet zelf. Het traject van de vader bij [praktijk] zal er in de visie van de moeder niet toe leiden dat hij wel zal kunnen aansluiten bij de kinderen en bij wat zij nodig hebben.
Ten aanzien van de omgang tussen de vader en de kinderen acht de moeder het van belang dat dit op begeleide wijze gebeurd, zodat de kans op belasting van de kinderen door de vader beperkt blijft. De moeder heeft verklaard de signalen van de kinderen over grensoverschrijdend gedrag vanuit de vader jegens hen heel serieus te nemen en het strafrechtelijk onderzoek af te wachten.
3.9.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep - kort samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende geadviseerd.
Het is van belang de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis geëffectueerd gaat worden. De raad hoopt dat beide ouders hierin hun rol zullen pakken en de kinderen niet belasten met hun onderlinge en/of juridische strijd. Dat de vader in het kader van de omgang uitlatingen doet richting de kinderen over de juridische procedures die hij aanspant om voor hen te vechten, geeft aan dat hij zich niet kan verplaatsen in de beleving van de kinderen en bij wat zij nodig hebben. Deze last moeten de kinderen niet meer ervaren. De kinderen hebben baat bij rust, stabiliteit, structuur en duidelijkheid, waarbij zij de steun van beide ouders ervaren. De vrijwillige hulp heeft de jarenlange ontwikkelingsbedreiging voor deze kinderen helaas niet weg kunnen nemen.
3.10.
Het hof overweegt het volgende.
voortijdige beëindiging uithuisplaatsing
3.10.1.
Ingevolge artikel 1:265 d lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI een uithuisplaatsing van een minderjarige voortijdig beëindigen voordat de termijn van de machtiging afloopt. Als voorwaarde geldt dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in art. 1:265b lid 1 ( [link] ) BW, en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet.
3.10.2.
De vader beoogt, zo begrijpt het hof, met het door hem ingestelde hoger beroep dat de kinderen weer bij hem worden (uit huis) geplaatst waarmee de destijds ten onrechte beëindigde machtiging wordt hersteld. Daarmee gaat de vader er echter aan voorbij dat de machtiging op basis waarvan de kinderen destijds uit huis zijn geplaatst, inmiddels is beëindigd. Ongeacht het voorgaande kan hiermee de eerdere machtiging niet hersteld worden. Er is inmiddels ook een nieuwe machtiging tot plaatsing van de kinderen in een gezinshuis afgegeven. Het verzoek van de vader tot vernietiging van de bestreden beschikking waarbij het hof bepaalt dat de kinderen opnieuw uit huis geplaatst dienen te worden bij de vader, zal het hof dan ook reeds hierom afwijzen.
Hoofdverblijf
3.10.3.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd.
Ingevolge artikel 1:253 a lid 2 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze regeling, onder andere, omvatten de beslissing bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben. De rechter dient een zodanige beslissing te nemen al haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
3.10.4.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat op dit moment nog niet duidelijk is wat de stand van zaken is met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek. Ook al zouden de kinderen bij de vader goed hebben gefunctioneerd tijdens de periode dat zij bij hem verbleven, dan nog dienen, in het belang van de kinderen, de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek te worden afgewacht. Het wijzigen van het hoofdverblijf naar de vader acht het hof derhalve niet in het belang van de kinderen. Afgezien hiervan, blijkt evenzeer uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de kinderen veel hebben meegemaakt, dat zij daardoor beschadigd zijn en dat zij kampen met forse hechtingsproblematiek. De kinderen kunnen nu op een neutrale plek in het gezinshuis met elkaar een nieuwe start maken onder professionele begeleiding en met zorg voor de (hechtings)problematiek die zij hebben. Het hof ziet derhalve thans geen aanleiding het hoofdverblijf van de minderjarigen te wijzigen en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Omgang binnen de ondertoezichtstelling
3.10.5.
Ingevolge artikel 1:265 g lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van onder meer de GI een eerder door hem vastgestelde contactregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.10.5.1. Zoals al eerder bleek, is komen te staan dat er thans een strafrechtelijk onderzoek gaande is naar aanleiding van afgegeven signalen van (een van) de kinderen over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het hof acht het evenals de rechtbank in het belang van de kinderen dit onderzoek eerst af te wachten en tot die tijd de eerder vastgestelde omgangsregeling van de beschikking van 13 juli 2017 te wijzigen en daarmee te beperken tot de begeleide contactmomenten zoals die thans lopen. Dat het strafrechtelijk onderzoek mogelijk geruime tijd in beslag zal nemen, is aan het belang van de kinderen ondergeschikt en maakt niet dat thans het verzoek van de vader tot uitbreiding van de contactregeling zoals in het kader van het onderhavige appel door hem verzocht, kan worden toegewezen.
Mogelijk dat na afronding van dit onderzoek zal blijken dat er zijdens de vader niet kan worden gesproken over vaststaande signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag met wellicht als gevolg, dat uitbreiding van de contactregeling tot de mogelijkheden behoort.
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 maart 2019 en de beschikking van diezelfde rechtbank van 15 april 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. van Riemsdijk en is op 14 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.