Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5612038/16-7337)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 februari 2018, waarbij het hof zich ambtshalve relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak is verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- de exploten houdende oproeping na verwijzing van 26 februari en 16 maart 2018;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 7 oktober 2019 door de bank toegezonden productie, tegen inbreng waarvan de curator desgevraagd geen bezwaar heeft gemaakt.
3.De beoordeling
een d.d. 06-08-2009 afgegeven bankgarantiefaciliteit van € 70.000,= voor welk bedrag een contragarantie is afgegeven: per heden zijn door onze bank 2 bankgaranties gesteld uit hoofde van en tot bedragen van: (…) € 41.501,50
een borgtocht ten bedrage van 35.000,00 (…) door [borg 2]
zich – hoofdelijk – tegenover de bank te verbinden:a. op eerste verzoek van de bank terstond aan de bank te betalen, zonder dat verzuim noodzakelijk is, al hetgeen de bank en/of de door de bank aangewezen derde uit hoofde van vorenbedoelde afgegeven bankgarantie heeft betaald” (…) Deze verplichting tot betaling ontstaat door het enkele feit van betaling door de bank en/of de door de bank aangewezen derde aan de (…) crediteur(en).(…)”
(i) € 14.044,08, vermeerderd met de wettelijke rente over € 13.137,71 vanaf 14 december 2016 tot de dag van algehele voldoening in het faillissement van MBCPZ en
(ii) van € 5.612,74 vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.988,86 vanaf 14 december 2016 tot de dag van algehele voldoening in het faillissement van MBCPB en
(iii) de proceskosten.