In deze civiele zaak in hoger beroep staat de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie tijdens een vrijwillig schuldhulpverleningstraject centraal. De vrouw betwist de nihilstelling van de alimentatie en stelt dat de man, ondanks zijn schulden, voldoende draagkracht heeft om een bijdrage te leveren. De man voert aan dat hij geen verwijt treft voor zijn schuldenlast en dat het vrijwillige traject vergelijkbaar is met een WSNP-traject, waarbij geen draagkracht bestaat.
Het hof neemt de feiten over zoals vastgesteld door de rechtbank en bevestigt dat het vrijwillige schuldhulpverleningstraject inhoudelijk sterk overeenkomt met een WSNP-traject, onder meer door de duur van maximaal 36 maanden en de wijze van vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB). De jurisprudentie van de Hoge Raad over WSNP wordt daarom analoog toegepast.
Het hof oordeelt dat de man gedurende het schuldhulpverleningstraject geen draagkracht heeft voor het betalen van kinderalimentatie, ook niet op basis van het VTLB, dat slechts een ondergrens kent en niet automatisch gelijk is aan 90% van de bijstandsnorm. De nihilstelling van de alimentatie wordt bekrachtigd tot het einde van het traject, waarna de onderhoudsverplichting weer van kracht wordt.
De beslissing bevestigt dat de financiële situatie van de onderhoudsplichtige tijdens schuldhulpverleningstrajecten zorgvuldig moet worden beoordeeld en dat de jurisprudentie rond WSNP ook op vrijwillige trajecten toepasbaar kan zijn.