Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[Vleeshandel] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[Slachthuis] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad
2.Het geding na verwijzing
3.De verdere beoordeling van het hoger beroep
Ten overvloede merkt het hof op dat [appellante] een eventuele verrijking van [geïntimeerde] onvoldoende handen en voeten heeft gegeven en niet heeft toegelicht waarom een eventuele verrijking ongerechtvaardigd zou zijn - gegeven de rechtmatige beëindiging van de overeenkomst door [geïntimeerde] .
Ook verwerpt het hof het verweer dat schadebedragen onjuist zouden zijn afgerond, nu [appellante] dit voor het eerst tijdens de zitting na verwijzing heeft gesteld en niet heeft toegelicht om welke bedragen dit zou gaan.
7 augustus 2012 voldoende onderbouwd aangetoond en daarmee is sprake van schade. Een betalingsbewijs acht het hof daarvoor niet nodig.
€ 2.100 (€ 0,05 maal 42.000 kilogram) gegeven korting aan [klant 3] wegens kwaliteitsverlies door slecht gesneden snit;
Het hof passeert dit verweer en acht deze schadepost voldoende onderbouwd. Van verlies aan vlees wegens snijfouten bestaan geen facturen. Verder heeft [geïntimeerde] een verklaring ingebracht van het hoofd productie van [Slachthuis] . Die verklaart in week 28 steekproefsgewijs te hebben geconstateerd dat bij 25% van het aantal geslachte varkens er gemiddeld twee kilogram aan gewichtsverlies/snijfouten en/of onzorgvuldig slachten verloren is gegaan en dat in de weken 29, 30 en 31 uit steekproeven is gebleken dat dit percentage terugliep van 20% naar 5%.
Daarmee heeft [appellante] naar het oordeel van het hof onvoldoende betwist dat de geplande uitfasering met kostenreductie zou kunnen plaatsvinden zonder dat uitzendkrachten met onvoldoende ervaring op een bepaalde functie werkzaam zouden zijn. Dat [geïntimeerde] vanwege de geplande uitfasering sowieso (ook zonder de ontbinding vanwege de tekortkoming van [appellante] ) kosten zou hebben gehad in verband met de onervarenheid van uitzendkrachten is daarom niet vast komen te staan.
Het hof passeert de stelling van [appellante] dat andere uitzendbureaus dit tekort direct, althans op kortere termijn dan een maand volledig hadden kunnen opvullen. [appellante] heeft deze stelling niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met verklaringen van andere uitzendbureaus. Niet in geschil is dat het in te zetten personeel opgeleid moest zijn tot slachter of vleesverwerker. Bovendien acht het hof aannemelijk dat ook ervaren personeel een bepaalde inwerkperiode nodig heeft wanneer het voor het eerst op een nieuwe locatie wordt ingezet. De plotseling wegvallende uitzendkrachten werkten al jaren bij [geïntimeerde] en kenden [geïntimeerde] inmiddels door en door (17 mvg). Het hof acht een maand voor het weer volledig aanvullen van een personeelstekort van tenminste (100 tot 135 minus maximaal 40 is) 60 tot 95 personen en het inwerken van dat personeel niet onaannemelijk.
Met betrekking tot de overige drie schadeposten is de conclusie dat deze voldoende onderbouwd zijn en daarmee toewijsbaar. Dat (een deel van) de schade sowieso zou zijn ontstaan vanwege de door [geïntimeerde] gewenste uitfasering van uitzendkrachten en dat [geïntimeerde] de productie eerder dan na een maand weer op orde had kunnen hebben, is onjuist. De grieven 8 tot en met 11 van [appellante] falen dus alsnog geheel.
De rechtbank heeft dan ook in het vonnis van 7 mei 2014 in de zaak 13-97 op goede gronden voornoemde vier schadeposten toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2012 zoals gevorderd en in hoger beroep niet betwist. Het hof zal dit vonnis in zoverre dan ook bekrachtigen en [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 77,52 aan explootkosten, € 1.920,-- aan griffierecht en € 15.360,-- aan salaris advocaat (3 punten van tarief V voor verwijzing en 3 punten van tarief IV na verwijzing).
4.De uitspraak
G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 december 2019.