Partijen hadden een affectieve relatie van 2007 tot medio 2016 waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. Gezamenlijk oefenden zij het ouderlijk gezag uit. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader vastgesteld, wat de moeder betwistte en in hoger beroep ging.
De moeder stelde dat zij door haar flexibele werktijden beter voor de kinderen kon zorgen en dat de kinderen meer tijd bij haar zouden moeten verblijven. Zij maakte zich ook zorgen over de opvoeding bij de vader, die samenwoont met een nieuwe partner en haar kinderen, en wees op het emotionele belang dat de hoofdverblijfplaats bij haar zou zijn.
De vader weerlegde deze punten en verklaarde dat hij niet samenwoont met zijn nieuwe partner en dat de kinderen van die partner niet bij hem wonen. Hij benadrukte dat hij voldoende tijd voor de kinderen heeft en dat zij het goed doen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen niet vereist dat hun hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt vastgesteld. De kinderen brengen meer tijd door bij de vader, die ook de verblijfskosten draagt en kindgebonden toeslagen ontvangt. Het emotionele belang van de moeder weegt minder zwaar. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.