ECLI:NL:GHSHE:2019:529
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gezag, huwelijksvermogensregime en huurrecht na echtscheiding
Partijen, gehuwd sinds 2009 en met Poolse nationaliteit, zijn in eerste aanleg gescheiden waarbij de rechtbank het gezamenlijke gezag over hun minderjarige kind handhaafde, de hoofdverblijfplaats bij de vrouw bepaalde en alimentatieverplichtingen oplegde. Verzoeken van de vrouw tot eenhoofdig gezag, afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en huurrecht van de echtelijke woning werden afgewezen.
In hoger beroep verzocht de vrouw om vernietiging van deze afwijzingen. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Poolse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Het hof bevestigde dat onvoldoende is gesteld omtrent het huwelijksvermogensregime en de afwikkeling daarvan, waardoor de rechtbankbeslissing wordt bekrachtigd.
De man verklaarde dat hij de woning had verlaten en de vrouw daar verbleef. Het hof kende haar daarom het huurrecht toe met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Ten aanzien van het gezag spraken partijen af om in overleg te treden met hulpverlening, waarna de zaak pro forma werd aangehouden tot nader bericht.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd. De uitspraak werd op 14 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door het hof te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van verzoeken over huwelijksvermogensregime, wijst het huurrecht toe aan de vrouw en houdt het gezagsverzoek pro forma aan.