In deze zaak staat het hoofdverblijf van vier minderjarige kinderen centraal na een verbroken relatie tussen de ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen. De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het hoofdverblijf bij de moeder heeft bepaald. Hij stelt dat hij de meest aangewezen verzorger is en dat de kinderen ten onrechte bij de moeder zijn geplaatst. De vader woont momenteel op een kamer met onvoldoende ruimte voor de kinderen en heeft sinds augustus 2017 geen contact meer met hen.
De moeder betoogt dat het hoofdverblijf bij haar moet blijven vanwege de stabiele woonsituatie en het ontbreken van geschikte woonruimte bij de vader. Zij benadrukt dat de kinderen verdriet hebben gehad van het contactverlies en dat de vader geen vaste verblijfplaats heeft. De GI en de raad voor de kinderbescherming onderschrijven het belang van het hoofdverblijf bij de moeder en wijzen op de noodzaak van verbetering van de communicatie en omgang.
Het hof overweegt dat de situatie sinds de eerdere beschikking ongewijzigd is gebleven, met een stabiele thuissituatie bij de moeder en een onzekere en onvoldoende ruime woonsituatie bij de vader. Het langdurig ontbreken van contact tussen vader en kinderen weegt zwaar mee. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benadrukt het belang van gesprekken tussen ouders over oudercommunicatie en omgang, bij voorkeur onder begeleiding.
De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd omdat partijen een affectieve relatie hebben gehad. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2019.