Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de advocaat van de vrouw, mr. Sluijs;
- de man, bijgestaan door mr. Koppelmans-De Goeij.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14 februari 2019 uitspraak gedaan over een verzoek tot wijziging van een voorlopige voorziening inzake levensonderhoud na echtscheiding. De vrouw had hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, waarin een bijdrage van € 740 per maand was vastgesteld. De man stelde incidenteel hoger beroep in en verzocht om wijziging van deze voorlopige voorziening naar nihil.
Tijdens de mondelinge behandeling was de vrouw niet aanwezig, maar werd zij vertegenwoordigd door haar advocaat. De vrouw trok haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in hoger beroep in, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof beoordeelde vervolgens het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige voorziening.
Het hof oordeelde dat de man ontvankelijk was in zijn verzoek, maar dat de omstandigheden niet zodanig waren gewijzigd dat de voorlopige voorziening niet in stand kon blijven. De rechtbank had reeds rekening gehouden met een lager inkomen van de man en een hogere levensstandaard van de vrouw in Indonesië. De vermeende wijzigingen in draagkracht en behoefte werden onvoldoende onderbouwd geacht. Daarom werd het verzoek van de man afgewezen en werden de proceskosten gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening af en verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.