Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[de vennootschap](voorheen genaamd [de vennootschap] ),
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
Stichting Administratiekantoor [concern I] Concern,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Stichting Administratiekantoor [concern II] Concern II,
11. Het verdere verloop van de procedure
lid 1 Fw heeft geschorst in verband met de faillietverklaring van (Productie) [de vennootschap] , heeft [geïntimeerde 1] de curator in dat faillissement, mr. P. de Ferm (verder: de curator), opgeroepen tot overneming van het geding. De curator heeft hierop te kennen gegeven dat hij het geding overneemt.
12.De verdere beoordeling
,brengt artikel 224 lid 2 Rv Pro in verbinding met artikel 17 lid 1 van Pro voormeld verdrag mee dat aan [appellant] geen verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten kan worden opgelegd. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het incident.
‘Bijkomende betalingsgaranties ivm uitstel van betalingIk, [geïntimeerde 2] , bevestig bij ondertekening van deze wissel tbv 340.200,00 euro, dat ik zowel persoonlijk als familiaal garant sta voor de 100% betaling hiervan mocht mijn vennootschap(pen) in gebreke blijven ten opzichte van [de vennootschap] ’. Achter die tekst is op iedere afzonderlijke factuur een paraaf geplaatst, waarvan [geïntimeerde 2] in de door [de vennootschap] tegen hem gevoerde procedure onder nummer 203020/ HA ZA 09-727 op de comparitie van 18 november 2009 heeft verklaard:
’(..) ik kan mij niet herinneren dat ik die paraaf heb gezet, maar het zou kunnen dat ik deze betalingsgarantie in de emotie en de druk van het moment heb getekend. (..)’(prod. 2 cva).
In het daarover tussen die partijen gevoerde rechtsgeding heeft [geïntimeerde 2] het verweer gevoerd dat (i) hij de wissel niet in privé voor aval heeft ondertekend, maar als bestuurder van [beheer] Beheer en (ii) dat zijn echtgenote, [geïntimeerde 1] , op de voet van het bepaalde in art. 1:89 BW Pro de vernietiging van de ondertekening voor aval en van de borgtochten heeft ingeroepen. In hoger beroep (zaak HD 200.071.533) heeft dit hof bij arrest van 14 mei 2013 deze weren verworpen en de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] alsnog toegewezen (prod. 29 mvg).
(Het hof verwijst voor een uitgebreider overzicht van de verschillende door [appellant] ten laste van [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] gelegde beslagen en het lot daarvan naar de opsomming van de feiten in 3.1 van het bestreden vonnis van 20 maart 2013.)
De rechtbank oordeelde met betrekking tot die vorderingen, kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, als volgt.
-
huwelijkse voorwaarden
(r.o. 3.7).
onrechtmatige daad
(ii) Aan [geïntimeerde 1] kan het inroepen van de vernietigbaarheid van de borg- en garantstelling als onrechtmatig worden verweten (r.o. 3.17), maar [appellant] heeft niet onderbouwd dat zij daardoor schade heeft geleden (r.o. 3.18).
(iii) Er is geen sprake van persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurder van [materieel] op de voet van het Beklamel-arrest of het arrest New Holland Belgium/Oosterhof (r.o. 3.21).
(iv) Van een situatie als aan de orde in het arrest Kloosterbrink/Eurocommerce is geen sprake (r.o. 3.22 e.v.).
-
PaulianaEr is onvoldoende gesteld voor het beroep op de Pauliana van art. 3:45 BW Pro (r.o. 3.31).
conservatoire beslagenTen aanzien van de aantekening van de beslaglegging op de certificaten slaagt het verweer van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat voor de sanctie van art. 444b Rv geen grond is, nu zij de beslagen, waarvan hun vordering tot opheffing is afgewezen, direct na die afwijzing alsnog hebben aangetekend in de registers (r.o. 3.33 en 3.34).
r.o. 12.3.3.). Hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, behoeft derhalve verder geen bespreking.
In grief 2 komt [appellant] op tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank over deze grondslag (r.o. 3.21 vonnis).
“3.5 (..)
Het gaat (…)om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).
- [materieel] was een familiebedrijf, waarvan [geïntimeerde 1] en haar echtgenoot bestuurders waren. Het is onaannemelijk dat [geïntimeerde 1] van het handelen van haar echtgenoot geen weet heeft gehad. Gezien haar functie binnen het bedrijf had zij daarvan in elk geval weet van behoren te hebben.
- [geïntimeerde 1] wist dat [appellant] slechts tegen contante betaling leverde; in elk geval heeft zij dat behoren te weten.
- Ten tijde van de levering van de tankchassis was [materieel] niet in staat deze tegen contante betaling af te nemen. Ook dat moet [geïntimeerde 1] hebben geweten; in elk geval behoorde zij het te weten.
- [appellant] was slechts bereid tot aflevering zonder contante betaling indien degelijke zekerheden voor een uitgestelde betaling werden verstrekt (daaronder de wisselbrief met een aval van [geïntimeerde 2] persoonlijk).
- [appellant] mocht die zekerheid gelijkstellen aan een aan contante betaling gelijkwaardige zekerheid, omdat [geïntimeerde 2] had verklaard dat hij in privé wel wat waard was.
- [geïntimeerde 1] moet van de nadere betalingsafspraak tussen [geïntimeerde 2] en [appellant] hebben geweten.
- [geïntimeerde 1] wist dat een persoonlijke garantstelling door [geïntimeerde 2] een lege huls was. Zij heeft namelijk zelf met [geïntimeerde 2] de constructie opgesteld waarin al diens vermogen naar haar werd overgeheveld en waardoor [geïntimeerde 2] niet (meer) over enig vermogen beschikte waarop een crediteur zich zou kunnen verhalen.
- [materieel] heeft aan haar betalingsverplichting niet voldaan en biedt daarvoor geen verhaal. Zij is op 2 februari 2009 in staat van faillissement verklaard.
heeft verder niet betwist dat [geïntimeerde 2] , toen hij namens [materieel] de afspraken voor de levering van de tankchassis (waaronder het in plaats van een contante betaling afgeven van een wisselbrief met daaraan verbonden een persoonlijke borgstelling van [geïntimeerde 2] ) maakte, wist of behoorde te weten dat zijn persoonlijke borgstelling niets waard was, omdat hij niet over enig vermogen of inkomen beschikte waarop [appellant] de vordering op [materieel] zou kunnen verhalen bij niet betaling van die vordering door [materieel] . [geïntimeerde 1] heeft evenmin het belang van [appellant] bij de borgstelling betwist, gelet op de financiële gesteldheid van [materieel] , die ten tijde van de levering van de tanks niet tot de verlangde contante betaling in staat was. Uit het feit dat [materieel] enkele maanden later is gefailleerd, kan worden geconcludeerd dat [materieel] ten tijde van de levering niet alleen maar incidenteel in betalingsnood heeft verkeerd. [geïntimeerde 1] heeft de stelling van [appellant] - dat het in het faillissement van [materieel] niet eens tot een uitkering aan de preferente crediteuren is gekomen en dat het er bij [materieel] ten tijde van het aangaan van de wisselbrief zeer slecht voorstond (mvg 59) - niet weersproken. Zij heeft harerzijds ook niets aangevoerd dat tot een andere conclusie kan leiden.
Het hof voegt daar volledigheidshalve nog het volgende aan toe. Indien [geïntimeerde 1] met haar stelling, dat zij niet bij de operationele bedrijfsvoering van [materieel] betrokken was, heeft willen betogen dat zij alleen in naam bestuurder van [materieel] was, leidt dat niet tot een andere conclusie. In dat geval valt haar persoonlijk al helemaal ernstig te verwijten dat zij haar verantwoordelijkheid als bestuurder niet heeft genomen en met de gang van zaken niet bekend is geweest.
€ 340.200,= zoals gevorderd.
Het hof overweegt in dit verband dat de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerde 1] een schadevergoedingsvordering is en dat de schade waarvoor [geïntimeerde 1] op grond van haar onrechtmatig handelen jegens [appellant] aansprakelijk is niet zonder meer kan worden gelijkgesteld aan de met [materieel] overeengekomen - maar door haar niet betaalde - koopprijs ad € 340.200,= (dan wel het gelijke bedrag waarvoor [geïntimeerde 2] zich borg heeft gesteld).
Anderzijds heeft [geïntimeerde 1] niet ten gronde betwist dat de door [appellant] geleden schade dient te worden berekend op basis van de niet-ontvangen kooprijs voor de chassis. [geïntimeerde 1] heeft zich in verband met de omvang van de door haar verschuldigde schadevergoeding ook niet beroepen op enig causaliteitsverweer. Wel heeft [geïntimeerde 1] aangevoerd, zoals ook [geïntimeerde 2] dat in de eerdere procedure heeft gedaan, dat de
‘vermeende koopsom’voor de twaalf chassis moet worden verminderd met de koopsom van de twee niet-geleverde chassis, althans de waarde daarvan (cva nr. 7). Het hof begrijpt dat [geïntimeerde 1] op die grond ook betwist dat [appellant] jegens haar aanspraak kan maken op het volledige bedrag van € 340.200,= aan schadevergoeding.
Het hof verwerpt dit verweer als zijnde onvoldoende onderbouwd in het licht van de aanvullende - en als zodanig niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken - stellingen van [appellant] (cvr nr. 7, antwoordakte nrs. 2-3). Deze stellingen komen erop neer:
(1) dat sprake was van twaalf volledig conform de specificaties van [materieel] gebouwde chassis en (2) dat, zoals het hof het begrijpt, de twee niet-afgenomen chassis daardoor voor [appellant] geen waarde van betekenis hebben gehad.
De nadere stellingen van [geïntimeerde 1] over de rechtsgevolgen van het faillissement van [materieel] (cvd nrs. 10-11), neerkomend op een beroep op de feitelijke onmogelijkheid voor [materieel] om af te nemen, treffen geen doel. [appellant] heeft er terecht op gewezen (antwoordakte nr. 3) dat het faillissement van [materieel] niet heeft afgedaan aan de betalingsverplichting van laatstgenoemde uit hoofde van de met [appellant] gesloten overeenkomst. [appellant] heeft daarnaast, onweersproken, gesteld dat die overeenkomst nadien niet is ontbonden en dat de curator de vordering van [appellant] ook voor het volledige bedrag van € 340.200,= heeft erkend.
Het door [appellant] meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.