Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[de vennootschap],
5.Het verloop van de procedure
6.De beoordeling
Overeengekomen is dat [geïntimeerde] zou zorgen voor het verbouwen van het kantoorgedeelte en werkzaamheden zou uitvoeren in de bedrijfshal, tot een maximumbedrag van € 60.000,-.
In de huurovereenkomst is aan [de vennootschap] een korting verleend op de huurprijs gedurende twee jaar, waardoor de huur in 2013 € 50.000,- en in 2014 € 55.000,- per jaar bedroeg. Vanaf 1 januari 2015 bedroeg de huurprijs € 60.000,- per jaar (telkens te vermeerderen met BTW).
“
We zijn akkoord met de overeenkomst behoudens de privé-borgstelling. Er is in ons laatste 1 op 1 gesprek met [roepnaam geïntimeerde][hof: [geïntimeerde] ]
afgesproken dat alle voorgaande afspraken, zoals borgstelling kwamen te vervallen (…)”. [geïntimeerde] heeft hierop in een e-mail van 24 april 2013 aan [indirect bestuurder 2] geantwoord: “
Dit is helaas voor mij een breekpunt”.
€ 18.150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en nakosten.
Aan haar subsidiaire vordering heeft [de vennootschap] , kort gezegd, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ten onrechte geen huurkorting over de kalenderjaren 2013 en 2014 heeft toegepast, terwijl hij dit zelf in de concepthuurovereenkomst heeft opgenomen en waardoor zij
€ 18.150,- inclusief BTW onverschuldigd heeft betaald.
De kantonrechter heeft de primaire vordering van de curator afgewezen, en overwogen dat de subsidiaire vordering door [geïntimeerde] is erkend (rov. 4.6).
Het beroep van [geïntimeerde] op verrekening van de subsidiaire vordering met € 11.568,35 (inclusief BTW), dat [de vennootschap] volgens [geïntimeerde] nog verschuldigd was, is toegewezen.
is veroordeeld tot betaling van € 7.422,22, te vermeerderen met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De kantonrechter is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en van toepasselijkheid van Nederlands recht.
De kosten voor de verbouwing werden echter aanzienlijk hoger dan gepland en [geïntimeerde] heeft tenminste € 120.000,- geïnvesteerd in het gehuurde. [de vennootschap] en [geïntimeerde] zijn overeengekomen dat dit hogere bedrag zou worden verdisconteerd in de huurprijs. Er is tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand gekomen, met een verhoogde huur. [geïntimeerde] heeft op 5 februari 2013 een factuur naar [de vennootschap] verzonden, waarin deze nieuwe huurprijs in rekening is gebracht (met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013).
Medio 2013 heeft [geïntimeerde] de concepthuurovereenkomst naar [de vennootschap] toegezonden, met daarin de overeengekomen hogere huurprijs en een borgstelling van € 100.000,-. Ondanks dat [de vennootschap] het niet eens was met de hogere borgstelling en de concepthuurovereenkomst niet is ondertekend, heeft zij de hogere huur gedurende drie jaar en drie maanden, zonder protest, betaald. Op basis van deze feiten en gedragingen is [de vennootschap] gehouden de hogere huurprijs te betalen, althans mocht [geïntimeerde] hier redelijkerwijze van uitgaan, aldus [geïntimeerde] .
Nu de curator zich zelf op het standpunt stelt dat overeenstemming bestond over de hogere huur, wat door [geïntimeerde] is erkend, volgt reeds daaruit dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling. Er is immers - ook volgens de stellingen van de curator - een nadere overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de hogere huur. Daaraan is [de vennootschap] gebonden. Daarin is een rechtsgrond voor de betaling van de hogere huur gelegen. Anders dan de curator heeft betoogd, is van onverschuldigde betaling dan ook geen sprake (art. 6:203 BW Pro).
De verbouwingskosten worden verdisconteert in de huur (toeslag)”, maar dat volgens hem daarmee de borgstelling was vervallen. De vraag of tussen partijen naast de hogere huur inderdaad ook is afgesproken dat de borgstelling zou komen te vervallen, hoeft in deze zaak niet te worden beantwoord. Vast staat dat de facturen met de hogere huur steeds door [de vennootschap] zijn voldaan, blijkens haar stellingen zelfs gedurende de gehele huurperiode.