Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
.
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, eigenaar van twee winkelpanden, stelde dat de WOZ-waarden per 1 januari 2015 te hoog waren vastgesteld door de Heffingsambtenaar van de gemeente. De Rechtbank Limburg had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Hof.
De Heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarden met een taxatierapport waarin de waarden waren vastgesteld via de discounted-cash-flow methode en de huurwaardekapitalisatiemethode. Belanghebbende voerde aan dat de kapitalisatiefactoren onjuist waren toegepast, dat onvoldoende rekening was gehouden met leegstandsrisico en dat de taxateur niet onpartijdig was.
Het Hof oordeelde dat de verschillende kapitalisatiefactoren terecht waren toegepast vanwege verschillen in verhuurbaarheid en locatie. Het taxatierapport hield rekening met een mutatieleegstandrisico van 10%, wat voldoende werd geacht. De eerdere WOZ-waarden waren niet relevant voor de huidige waardebepaling. De stelling dat de taxateur niet onpartijdig zou zijn, werd verworpen omdat geen aanwijzingen voor beïnvloeding bestonden.
Het Hof concludeerde dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd, en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de WOZ-waarden van de winkelpanden zijn bevestigd.