Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellante 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2.[appellant 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2.[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 10 april 2018;
- de memorie van antwoord met productie;
- de akte van [appellant 2] c.s.;
- de antwoordakte van [geïntimeerde 2] c.s..
6.De verdere beoordeling
[erflaatster] (moeder), [roepnaam geintimeerde 2] , [roepnaam appellante 1] , [zus 3] , [zus 4] en [zus 6] , zijn onroerende zaken deel uitmakend van Hoeve [de hoeve] , staande en gelegen aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de hoeve) verdeeld.
- “een/vierde gedeelte van een gedeelte van het woonhuis met ondergrond, binnenplaats, erf, weiland en tuin, staande en gelegen aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] (…);
- een gedeelte van de tiendschuur, koestal, binnenplaats, erf, en weiland met onverharde weg, staande en gelegen aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] (…);
- een/vierde gedeelte van een gedeelte van de binnenplaats, laan en onverharde weg, gelegen aan de [adres 4] te [vestigingsplaats] (…)”.
[appellant 2] c.s.is tijdig hoger beroep ingesteld. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Limburg van 28 januari 2015 en 6 september 2017 en bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende, en met vermeerdering van eis (vordering sub ii.) tot:
- de grenzen van de rechtsstrijd (grief 1);
- de akte van verdeling en de (beweerdelijke) afspraak (grieven 1 en 2);
- de bewijswaardering door de rechtbank (grieven 3 en 4);
- de vorderingen jegens [appellant 2] (grief 5).
[appellant 2] c.s.(ook) dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet denkbeeldig is dat art. 2 van Pro de akte van verdeling een standaardbepaling is die, zonder dat daar veel aandacht aan is besteed, in de akte is blijven staan. Dit is nimmer door partijen gesteld. De rechtbank is daarom buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en had deze omstandigheid niet bij haar oordeel mogen betrekken.
hofoverweegt als volgt. Door haar overweging dat “het niet denkbeeldig is dat het bij voormeld artikel uit de akte gaat om een standaardbepaling die zonder dat daaraan veel aandacht is besteed in de akte is blijven staan” is de rechtbank niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden nu deze overweging in het licht van de daaraan voorafgaande overweging (“Anderzijds kan niet worden uitgesloten dat naast die schriftelijke akte nog nadere mondelinge afspraken zijn gemaakt”) moet worden beschouwd. Deze overwegingen moet worden bezien in het kader van de stelling van [geïntimeerde 2] c.s. dat tussen partijen een afspraak tot stand was gekomen die het commercieel exploiteren van de hoeve verbood. De eerste overweging vormt in dit kader veeleer een gedachte van de rechtbank en geen vaststelling van (rechts)feiten. In zoverre faalt grief 1.
[appellant 2] c.s.de stellingen van [geïntimeerde 2] c.s. over de totstandkoming van de akte van verdeling. De afwikkeling van de nalatenschap is niet alleen door [appellante 1] ter hand genomen. De boekhouder van moeder [erflaatster] heeft samen met de notaris uitvoerig overleg gevoerd met de gehele familie en de belangen van de betrokken familieleden in acht genomen bij de afwikkeling van de nalatenschap. [appellant 2] c.s. verwijzen hiervoor naar een brief van de boekhouder d.d. 4 november 1993 (productie 21 bij akte).
hofoverweegt als volgt. De grieven komen er in hun kern genomen op neer dat niet is komen vast te staan dat de beweerdelijke afspraak tot stand is gekomen nu dit niet volgt uit de bandopname, de getuigenverklaringen en de overige feiten en omstandigheden zoals deze door [appellant 2] c.s. zijn aangevoerd en de rechtbank derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 2] c.s. in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. Hieruit volgt dat het hof de vraag dient te beantwoorden of [geïntimeerde 2] c.s. al dan niet zijn geslaagd in de hen opgedragen bewijslevering. Ter beantwoording van die vraag, overweegt het hof als volgt.
te overwegen er is over te pratennou basta als hun niks commercieels doen
dan is met mij te praten(cursivering hof)”. Of dit voorbehoud uiteindelijk heeft geresulteerd in een overeenkomst, blijkt niet uit de transcriptie.
[geïntimeerde 2]heeft, in zijn hoedanigheid van partijgetuige, verklaard:
[geïntimeerde 1]heeft, in haar hoedanigheid als partijgetuige, verklaard:
[zus 3]heeft in haar hoedanigheid van getuige verklaard:
[zus 4]heeft als getuige verklaard:
[zus 5]heeft als getuige verklaard:
hofkomt thans toe aan de beoordeling van de vraag of uit de door [geïntimeerde 2] c.s. gestelde concrete feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake is geweest van het voornoemde (in rov. 6.7.3.3. hiervóór) aanbod en de (uitdrukkelijke of stilzwijgende) aanvaarding daarvan.
[geïntimeerde 2] c.s.zijn in eerste aanleg de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd aan het bestaan van de beweerdelijke afspraak.
hofstelt vast dat de omstandigheden waarop [geïntimeerde 2] c.s. een beroep hebben gedaan – en kennelijk (althans zo begrijpt het hof) het rechtsgevolg van het ontstaan van een stilzwijgende overeenkomst hebben verbonden, als volgt kunnen worden samengevat: