Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 30 januari 2018;
- de akte d.d. 13 maart 2018 namens de vrouw;
- de antwoordakte (aangepast na eerdere weigering) d.d. 17 april 2018 namens de man.
6.De verdere beoordeling
vrouwheeft de man gedagvaard. Zij vordert in eerste aanleg, in conventie, samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man:
manheeft verweer gevoerd. Voorts heeft hij een vordering in reconventie ingediend. Hij vordert (na vermeerdering van eis), samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw veroordeelt:
- € 103.662,--, vermeerderd met een nader vast te stellen bedrag wegens stille reserves, verbonden aan de inventaris van haar onderneming, de v.o.f. per 16 januari 2013, beide bedragen vermeerderd met de contractuele rente vanaf 16 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening, althans de contractuele, subsidiair de wettelijke, rente vanaf 9 april 2014 tot de dag der algehele voldoening;
- de helft van de verkoopopbrengst van de stacaravan;
- (na wijziging van eis) de helft van het bedrag aan stichtingskosten van de woning (€ 112.153,-- / 2 = € 56.076,50) wegens stichtingskosten van de woning;
- een bedrag van € 15.595,90 wegens hypothecaire lasten van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 9 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede van een maandelijks bedrag van € 1.017,69 vanaf april 2014 tot de datum verdeling woning, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van deze maandbedragen door hem, alsmede veroordeling van de vrouw tot betaling van € 2.582,84 (voor door de man ten gunste van de vrouw betaalde premies van haar overlijdensrisicoverzekering), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de eisvermeerdering (11 oktober 2016) tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een maandelijks bedrag van € 37,98 vanaf november 2016 tot aan de dag van beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze maandbedragen vanaf de dag van betaling door de man;
- de helft van de eigenaarslasten vanaf 1 april 2011, vermeerderd met de wettelijk rente over het tot en met maart 2014 verschuldigde bedrag vanaf 9 april 2014 tot de dag der algehele voldoening, en met de wettelijke rente over de helft van de eigenaarslasten vanaf 1 april 2014 vanaf de dag van betaling hiervan door hem;
- de helft van de waarde van de Delta Lloyd polis (nr. [polisnummer 1] ) per datum verdeling;
- een bedrag van € 22.000,-- voor door hem verstrekte geldleningen/voorschotten, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 9 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;
vrouwheeft verweer gevoerd.
rechtbankheeft bij vonnis van 30 april 2014 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 2 september 2014. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Ter comparitie zijn door partijen (samengevat en voor zover in hoger beroep van belang) de volgende afspraken gemaakt:
rechtbankheeft in haar vonnis van 15 februari 2017 in conventie en in reconventie, voor zover relevant in hoger beroep, als volgt beslist:
manheeft tijdig hoger beroep ingesteld. Bij memorie van grieven heeft hij (tijdig) zijn eis gewijzigd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 15 februari 2017, voor zover het betreft het in het dictum onder 3.1, 3.2. en 3.5 (in rov. 6.5. genummerd als 1, 2 en 5), en opnieuw rechtdoende bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de verdeling van de woning, in het bijzonder de in dat kader gehanteerde uitvoeringstermijn en de daarbij opgelegde dwangsom (grief I);
- de bij de verrekening in aanmerking te nemen stichtingskosten van de woning (grief II):
- de verdeling van de opbrengst van de stacaravan (grief III);
- de door hem aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding (grief IV);
- de door hem aan de vrouw betaalde voorschotten c.q. verstrekte leningen (grief V);
- de restitutie van de door hem ten gevolge van het bestreden vonnis aan de vrouw (ten onrechte) betaalde bedragen (grief VI).
vrouwheeft de grieven weersproken. Zij heeft voorts incidenteel appel ingesteld en daarbij (tijdig) haar eis vermeerderd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 15 februari 2017 voor zover het betreft de rechtsoverwegingen 2.3.1, 2.8.1, 2.9.4.1, 2.9.4.2, 2.10,2, 2.12.1 (voor wat betreft de toegewezen rente), 2.7.1, 2.13.1 (uitsluitend voor wat betreft de laatste volzin: “Wel zal dit … beslist”) en het in het dictum onder 3.3., 3.5. en 3.9. (hierboven weergegeven onder de nummers 3, 5 en 9) bepaalde en opnieuw rechtdoende, bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de waarde van de woning (grieven 2 en 7);
- haar bijdrageplicht in de hypotheekrente en eigenaarslasten (grieven 1 en 3);
- de gebruiksvergoeding (grief 2);
- de Delta Lloyd Meerkeuze Plan-polis met nummer [polisnummer 1] (hierna te noemen: de polis Delta Lloyd) (grief 4);
- de contractuele rente over het aandeel van de man in de v.o.f. (grief 6);
- de belastingrestituties (grief 5);
- de afgifte van beeldmateriaal (grief 9);
- de voorschotten (grief 8).
manbetoogt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld om binnen zeven dagen na de datum van het vonnis de verdeling van de woning “tot stand te brengen” en daaraan een dwangsom te verbinden van € 500,-- per dag. Ter onderbouwing van zijn grief, voert hij het volgende aan.
vrouwbetoogt dat de opgelegde en verbeurde dwangsommen in stand dienen te blijven. Zij voert hiertoe het volgende aan.
rechtbankoverwoog in rov. 2.4.1. en 2.4.2.:
hofoverweegt als volgt. Het gaat bij deze grief om de vraag of de man dwangsommen heeft verbeurd. Daartoe dient te worden vastgesteld dat i) de hoofdveroordeling (sub 3.1. dictum) niet onmogelijk is en ii) de man heeft nagelaten die veroordeling (tijdig) na te komen.
rechtbankheeft in rov. 2.9.4.2. overwogen:
vrouwbetoogt in haar grieven dat voor de woning moet worden uitgegaan van een waarde van € 565.000,--. De woning is op 1 oktober 2014 op verzoek van de man getaxeerd tegen een waarde van € 540.000,-- Inmiddels is, in verband met de herstelde woningmarkt, de woning getaxeerd op een bedrag van € 565.000,--. Dat leidt tot een overwaarde van € 281.525,--. De vrouw heeft recht op de helft hiervan (€ 140.525,--). Dit rechtvaardigt een vordering van haar op de man van € 12.500,-- (het verschil tussen de voormalige en huidige waarde van de woning).
manstelt dat het betoog van de vrouw tardief is. Zij heeft namelijk in eerste aanleg expliciet ingestemd met een waardering van de woning tegen een waarde van € 540.000,-- overeenkomstig de taxatie die partijen in eerste aanleg gezamenlijk hebben laten maken. De man heeft, in zijn conclusie na deskundigenbericht, laten blijken dat hij de woning voor dat bedrag zal overnemen. Door de rechtbank is vervolgens deze partijafspraak vastgelegd in rov. 2.3.1. (“Partijen zijn het er over eens dat ten behoeve van de verdeling de waarde van de woning (overeenkomstig de in gezamenlijke opdracht verrichte taxatie) kan worden vastgesteld op € 540.000,--“). De vrouw kan niet meer eenzijdig terugkomen op die afspraak.
vrouwdat de man in eerste aanleg nimmer onvoorwaardelijk heeft ingestemd met de waarde van € 540.000,--. Pas op 22 februari 2017 heeft de man laten weten de woning te willen overnemen. Van een partijafspraak in 2015 en 2016 is geen sprake geweest; de man heeft “een financiering voorbehoud gemaakt” en “zich volgens de rechtbank niet uitgelaten over de vraag of hij de woning overneemt”.
mandat de omstandigheid dat hij een financieringsvoor-behoud heeft gemaakt, niet afdoet aan de overeenstemming over de waardering van de woning.
hofoverweegt als volgt.
rechtbank(rov. 2.9.4.2.) heeft de gebruiksvergoeding gebaseerd op de waarde van de woning van € 540.000,--. De rechtbank achtte het redelijk dat de man aan de vrouw een vergoeding betaalt van 4% per jaar over de overwaarde (€ 92.000,--). Dit heeft geresulteerd in een bedrag van € 307,-- per maand (te rekenen vanaf 1 mei 2013 tot aan de dag dat het aandeel van de vrouw in de woning aan de man of aan een derde is geleverd). Tot dit bedrag zal volgens de rechtbank verrekening kunnen plaatsvinden.
manbetoogt in zijn grief dat de rechtbank haar uitspraak ten onrechte heeft gebaseerd op de uitspraak van dit hof van 15 juli 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:2160). Het hof is evenwel op 8 november 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:4960) teruggekomen op die eerdere beslissing. Gelet op die uitspraak had de rechtbank moeten rekenen met een percentage van 2,5 en de door de man te betalen gebruiksvergoeding moeten stellen op (2,5% x € 92.000,-- / 12 =) € 192,-- per maand.
vrouwweerspreekt dat rekening moet worden gehouden met een percentage van 2,5%. Het door de rechtbank gehanteerde percentage van 4 is redelijk en sluit aan bij vaste jurisprudentie. Ook krachtens de redelijkheid en billijkheid is een percentage van 4 gerechtvaardigd.
hofoverweegt als volgt.
vrouwbetoogt dat de rechtbank in rov. 2.9.4.1. ten onrechte heeft overwogen (en in rov. 3.5. heeft geoordeeld) dat zij voor de helft draagplichtig is voor de (of het netto equivalent van de) hypotheekrente en de eigenaarslasten. De man is gehouden die lasten volledig te dragen. De man kan daarom de door hem te betalen gebruiksvergoeding niet verrekenen met het door de vrouw (volgens haar ten onrechte) aan hem verschuldigde netto-equivalent van de hypotheekrente en de helft van de eigenaarslasten. De vrouw voert hiertoe het volgende aan.
manbetwist dat hij heeft toegezegd de hypotheekrente en eigenaarslasten van de woning zonder verrekening te betalen en hij heeft ook nimmer die indruk gewekt. In de vaststellingsovereenkomst is alleen bepaald dat het uitsluitend gebruik van de woning aan hem toekomt. Over de verdeling van de lasten is bewust niets afgesproken. Een gelijke draagplicht is de hoofdregel (art. 3:172 BW Pro); als partijen daarvan hadden willen afwijken, hadden zij dat wel in de vaststellingsovereenkomst benoemd. Van een uitdrukkelijke of stilzwijgende andersluidende partijafspraak is geen sprake.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankis ten aanzien van de voor de stichting van de woning gedane betalingen uitgegaan van het overzicht, opgesteld door de tot deskundige benoemde accountant.
manbetoogt dat de berekening van het totale budget (€ 665.374,--) juist is, maar de berekening van de totale stichtingskosten (€ 646.244,--) onjuist is. De totale stichtings-kosten bedragen ten minste € 667.078,--. De door de accountant gemaakte berekeningen moeten worden gecorrigeerd (conclusie na deskundigenbericht). De rechtbank heeft deze voorgedragen correcties ten onrechte slechts zeer ten dele overgenomen.
vrouwstelt primair dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn grief nu hij daaraan geen gevolgen heeft verbonden. Verder weerspreekt zij dat het door de rechtbank becijferde bedrag aan stichtingskosten met ten minste € 20.834,-- moet worden gecorrigeerd. De totale stichtingskosten bedragen niet, zoals de man stelt, ten minste € 667.078,--. Zij voert hiertoe het volgende aan.
hofoverweegt als volgt.
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de stacaravan gemeenschappelijk eigendom is (rov 2.2. vonnis 8 juli 2015) en heeft bepaald dat elk van partijen van de opbrengst van € 36.801,-- de helft toekomt (rov. 2.6. vonnis 15 februari 2017). De man voert hiertoe het volgende aan.
vrouwbetwist dat de caravan in 2010 door de man is gekocht. De caravan is gemeenschappelijk eigendom; partijen hebben de caravan gezamenlijk gekocht en gebruikt. Het feit dat de nota alleen op naam van de man staat, maakt dit niet anders.
hofoverweegt ten aanzien van die vragen als volgt.
vrouwstelt dat de rechtbank ten onrechte verstaat dat zij de polis toegedeeld wil krijgen. De polis is uitsluitend eigendom van de vrouw. De man heeft geen aanspraak op enige vergoeding omdat zij uitsluitend de eerste begunstigde is. Bij ontstentenis van de vrouw volgt de man althans de kinderen althans de erfgenamen.
manstelt dat de polis is afgesloten toen partijen in 1999 hun eerste gemeenschappelijke woning kochten. Deze polis betrof een zogenoemde hypotheekvariant en diende als onderpand voor de gemeenschappelijke hypotheek. De vrouw is als enige verzekeringnemer vermeld maar partijen zijn beiden verzekerde en begunstigde. De premies voor deze polis zijn gedurende 94% van de looptijd ten laste van de gemeenschappelijke rekening betaald. De polis (die is voortgezet na het vrijvallen ervan door verkoop van de eerste woning in 2005) was onderdeel van een gezamenlijke financiering. De waarde ervan komt partijen gezamenlijk toe. Dit geldt ook voor de polissen die uitsluitend op naam van de man zijn afgesloten.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft in rov. 2.12.1. over de afwikkeling van de v.o.f. geoordeeld:
vrouwbetoogt dat de overweging dat zij vanaf 16 januari 2013 in verzuim is en vanaf die datum contractuele rente aan de man over zijn aandeel in het vermogen van de v.o.f. is verschuldigd, onjuist is en is gebaseerd op onjuiste veronderstellingen. Zij voert hiertoe het volgende aan.
manbetoogt dat de grief feitelijke grondslag mist voor zover deze is gebaseerd op de stelling dat de rechtbank zowel voor het aandeel in het vermogen als voor de vordering in rekening-courant de contractuele rente van 8% in rekening heeft gebracht.
hofoverweegt als volgt.
€ 11.619,--(cursivering hof) vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;”
vrouwbetoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten haar vordering (van € 18.407,--) voor de door de man ontvangen belastingrestituties ten gunste en ten name van haar toe te wijzen. Ter onderbouwing van haar grief voert de vrouw het volgende aan.
manbetwist bedragen zonder titel te hebben overgeboekt of weggesluisd. Hij voert hiertoe het volgende aan.
hoftast in het duister over de grondslag van de vordering. Reeds hierom faalt de grief.
vrouwbetoogt met haar grief dat de man, ondanks vele verzoeken en sommaties in gebreke blijft alle foto’s van haar, de kinderen en het gezin, aan haar af te geven. Zij heeft geen enkele foto van de kinderen uit de periode dat partijen hebben samengewoond in haar bezit. Zij heeft er recht en belang bij dat het hof de man veroordeelt (op straffe van een dwangsom) tot afgifte van deze zaken.
manbetwist dat de vrouw over geen enkele foto beschikt uit de periode van de samenwoning. Hij verwijst hiervoor naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen. Hierin is tussen partijen de afspraak gemaakt dat de vrouw de bij haar aanwezige dubbelen van de foto’s die zij heeft, aan de man zal geven en dat van andere foto’s die hij wil hebben, kopieën zullen worden gemaakt.
hofoverweegt als volgt.
“Voor de goede orde: meer of ander(e) beeldmateriaal, foto’s of filmpjes dan hierbij gaan, heb ik niet. Mocht uw cliënte toch verder willen procederen over beeldmateriaal in de procedure bij het hof, dan verneem ik graag welk specifiek beeldmateriaal zij mist.”
rechtbankheeft in rov. 2.13.1. overwogen:
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte slechts een voorschot van € 15.000,-- in aanmerking heeft genomen en geen grond ziet voor veroordeling van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen door de man aan haar, vooruitlopend op de definitieve financiële afwikkeling als voorschot of lening is voldaan. De man voert hiertoe het volgende aan.
vrouwbetwist dat de man haar een voorschot van € 22.000,-- heeft verstrekt. Tussen partijen is geen overeenkomst van geldlening tot stand gekomen. Verder is niet gebleken dat de genoemde bedragen tussen partijen moeten worden verrekend. Met de vrouw zijn geen afspraken gemaakt over verrekening. Zij is geen wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd. Zij voert hiertoe het volgende aan.
manheeft de incidentele grief weersproken. Hij betwist het bestaan van een verrekenpost ter grootte van € 15.000,-- en doet een beroep op het bepaalde in art. 6:36 BW Pro. Hij voert hiertoe het volgende aan.
samen(cursivering hof) (stilzwijgend) andersluidende afspraken hebben gemaakt. De door de man met de vader van de vrouw beweerdelijk gemaakte afspraken (het hof verwijst naar een e-mail van de vader van de vrouw aan de man d.d. 26 april 2013, productie 16 bij memorie van grieven) kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Deze e-mail vormt, anders dan de man heeft gesteld, immers geen weerslag van afspraken tussen partijen. In deze e-mail heeft de man slechts vermeld wat híj heeft ondernomen en niet wat partijen tezamen hebben afgesproken. Bovendien ontbreekt een bevestiging van de juistheid van de weergave door de man in die e-mail door de vrouw. Ook is gesteld noch gebleken dat de vader van de vrouw (die de e-mail van de man beantwoordde met “OK [roepnaam appellant] , probleem minder”) optrad als vertegenwoordiger van de vrouw of de man dit als zodanig had mogen en kunnen opvatten.
manbetoogt ten slotte met zijn grief VI dat, voor zover hij betalingen (dwangsommen) aan de vrouw heeft gedaan op basis van het bestreden vonnis en hiervoor, als gevolg van vernietiging van het bestreden vonnis geen rechtsgrond heeft bestaan, de vrouw moet worden veroordeeld tot terugbetaling van die bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover (zie Hoge Raad 19 mei 2000, NJ 2000/603).
hofoverweegt als volgt. Voor zover het bestreden vonnis wordt vernietigd, is voor betaling door de man op grond van dit vonnis in zoverre geen grond. De vrouw zal voor die door de man gedane betalingen worden veroordeeld tot terugbetaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag.
7.De uitspraak
- het bevel aan de man om binnen zeven dagen de verdeling van de woning tot stand te brengen door ofwel mee te werken aan notariële overdracht van de onverdeelde helft van de vrouw in de woning en aan ontslag door de bank van haar uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, ofwel mee te werken aan het te koop aanbieden van de woning op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 50.000,--;
- de door de rechtbank bepaalde gebruiksvergoeding van € 307,-- per maand;