Conclusie
(hierna: de vrouw)
(hierna: de man)
1.Korte inhoud zaak en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
Uit de relatie zijn twee kinderen geboren.
De vrouw heeft haar woning te [plaats 1] in 2002 verkocht en is vervolgens bij de man ingetrokken. De opbrengst van haar woning bedroeg fl. 144.420,28 (€ 65.535,07).
€ 149.763,23 ter zake van door hem gedane investeringen in [woning 3] te [plaats 3] ;
€ 96.460,-- ter zake van de spaarzeker-verzekering, nog te vermeerderen met de waardestijging tot de dag van de verdeling;
€ 149.763,12 (1/2 van € 214.000,-- + € 17.508,45 + € 25.000,-- + € 43.018,--) ter zake van de door de man gedane investeringen in [woning 3] en [woning 4] te [plaats 3] , althans een verklaring voor recht met bovenstaande strekking en bedrag als het hof juist acht;
Daarnaast heeft de vrouw, onder aanvoering van elf grieven, incidenteel appel ingesteld en daarbij gevorderd, voor zover thans in cassatie van belang, dat het hof:
- het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de door de vrouw te betalen kosten van de huishouding aan de man vernietigt en de man veroordeelt om de door de vrouw aan hem uit hoofde van het vonnis van 25 maart 2020 betaalde kosten van de huishouding ter hoogte van € 34.932,67 aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2020 tot aan het moment van algehele voldoening, dan wel een ander, door het hof te bepalen bedrag, ingangsdatum, dan wel percentage aan rente (grief VI); en
- indien het hof een van de vorderingen van de man omtrent door hem gedane betalingen toewijst, de man veroordeelt tot betaling van € 70.000,-- aan de vrouw binnen 14 dagen na het door het hof te wijzen arrest (grief XI). [8]
€ 107.000,-- ter zake van de door de man gedane investeringen in [woning 3] en de vrouw veroordeeld om dit bedrag van € 107.000,-- aan de man te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest;
De man heeft geconcludeerd tot verwerping en heeft voorts (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De vrouw heeft in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
De vrouw heeft daarna een conclusie van repliek ingediend en de man een “nota van repliek”. [10]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
nietanaloog van toepassing zijn op samenlevers. Het hof is dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door, op basis van deze uitspraken, aan te nemen dat wanneer samenlevers een goed in eenvoudige mede-eigendom hebben, ieder van hen zonder nadere grondslag recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed. Althans heeft het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom in dit geval een vergoedingsrecht zou zijn ontstaan, aangezien de enkele beweerdelijke aflossing door de man van het overbruggingskrediet met eigen middelen onvoldoende is om tot het bestaan van een vergoedingsrecht te concluderen, [12] aldus het subonderdeel.
De regeling van art. 1:87 BW Pro geldt voor alle huwelijken, ongeacht het huwelijksgoederenregime. [14]
[…] / […]uit 1987. [17]
[…] / […] [19] heeft de Hoge Raad vervolgens geoordeeld dat ook in een situatie die hierdoor wordt gekenmerkt dat de woning op naam van beide echtgenoten, ieder voor de helft, is verkregen, terwijl deze in overwegende mate door een der echtgenoten is gefinancierd, er plaats is voor een vergoedingsrecht als bedoeld in het arrest
/ […].
Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW Pro) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW Pro) is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.
Informeel samenlevenden hebben als zodanig slechts te maken met de eenvoudige gemeenschap. Deze zal veelal inboedelzaken betreffen en/of een huis, aldus Van Mourik & Schols. [27]
Uit art. 3:166 lid 2 vloeit Pro voort dat de echtgenoten ieder een gelijk aandeel in de gemeenschap hebben, tenzij hun rechtsverhouding anders meebrengt. Het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privé-vermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, leidt niet ertoe dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is.
Wel heeft bij de verdeling van die gemeenschap iedere echtgenoot recht op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van dat goed heeft besteed[curs. A-G]. Niet geheel uitgesloten is, dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een uitzondering moet worden gemaakt (HR 10 januari 1992, nr. 14631,
NJ1992, 651), maar het onderhavige geval biedt – naar tussen partijen ook niet in geschil is – hiervoor geen grond. (…).”
[…] / […]en
/ […], en zoals dat thans is opgenomen in art. 1:87 BW Pro. Uit de uitspraak van 10 mei 2019 van de Hoge Raad volgt echter dat de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen, zich nu juist niet lenen voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden. Mellema wijst er bovendien op dat het in het arrest van 21 april 2006 om een bijzondere gemeenschap ging en samenlevers te maken hebben met een eenvoudige gemeenschap. [38]
Zoals uit het juridisch kader volgt, is er sinds het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 een duidelijk onderscheid tussen de grondslag(en) voor het vergoedingsrecht tussen gehuwden en geregistreerde partners enerzijds en informele samenlevers anderzijds. Indien bij informeel samenlevenden sprake is van een gemeenschappelijke woning, dan is deze woning een eenvoudige gemeenschap. Een dergelijke eenvoudige gemeenschap is geen afgezonderd vermogen en omvat geen schulden. Van een vergoedingsrecht op deze eenvoudige gemeenschap kan reeds daarom geen sprake zijn. Bovendien kan uit het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 voor deze situatie geen vergoedingsrecht worden afgeleid. Dit arrest had immers betrekking op een
bijzondere gemeenschapen op het vergoedingsrecht zoals dat voor de invoering van art. 1:87 BW Pro
tussen echtgenotenbestond, zoals blijkt uit de verwijzing in rov. 3.4.3 naar het arrest
[…] / […]. Ook uit rov. 3.4 van het arrest van 10 mei 2019 kan m.i. geen vergoedingsrecht voor informeel samenlevenden op grond van art. 3:166 BW Pro worden afgeleid.
Subonderdeel 2.1.1 is dus terecht voorgedragen.
subonderdeel 2.1.3 [44] wordt tot slot geklaagd dat het hof in rov. 7.23.1 de devolutieve werking heeft miskend. Daartoe wordt, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld dat de man niet heeft bewezen dat hij uit eigen middelen op de overbruggingslening heeft afgelost. De rechtbank heeft dat verweer in rov. 4.8 van het vonnis gepasseerd, maar uiteindelijk de vordering van de man afgewezen omdat deze is verjaard. Omdat de vrouw haar stelling in hoger beroep niet kenbaar prijs heeft gegeven, had het hof in hoger beroep alsnog op deze stelling van de vrouw moeten ingegaan, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 2.2.1 [45] richt zich tegen het eerste tekstblok van rov. 7.37, dat als volgt luidt:
hofoverweegt als volgt. Niet in geschil is dat de polis een eenvoudige gemeenschap vormt (de grief van de man betreft de gerechtigdheid tot de waarde van de polis). Ook is er geen grief gericht tegen de toedeling van de polis aan de man, die inmiddels al gevolgd is door een akte van verdeling en levering (van 13 juli 2020, waarover hiervóór). De man heeft de spaarzeker-verzekeringspolis op 1 juli 1998 afgesloten. Op 1 november 2003 is de polis gewijzigd in die zin dat beide partijen verzekeringnemer zijn geworden en als zodanig op de polis staan vermeld (en is de polis gemeenschappelijk geworden). De polis vertegenwoordigde op dat moment een waarde van € 40.232,--. Ook voor de polis geldt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938 (waarover reeds hiervóór) volgt dat de man bij die verdeling, recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van € 40.232,--. In zoverre slaagt de grief van de man. Hetgeen na aftrek van die vergoeding van de waarde van de polis resteert, komt ieder naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap (hier zijn de aandelen gelijk) en dus bij helfte toe.”
Art. 3:322 lid 1 BW Pro bepaalt dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve mag toepassen. Dit houdt volgens de wetsgeschiedenis verband met het karakter van de bevrijdende verjaring als een instelling waardoor wel de rechtsvordering tenietgaat, maar desalniettemin een natuurlijke verbintenis overblijft. Er wordt wel gesproken van een wilsrecht van de schuldenaar: de rechter dient het aan de schuldenaar over te laten of deze zich op verjaring wil beroepen. [48]
[…] / […] [50] overwogen dat in art. 3:322 lid 1 BW Pro ligt besloten dat degene die zich op verjaring beroept met voldoende duidelijkheid dient aan te geven op welke verjaring hij het oog heeft, wil dit beroep kunnen slagen. Of het beroep op verjaring in dit opzicht inderdaad voldoende duidelijk is, is een kwestie van uitleg van de desbetreffende verklaring. Daarnaast heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in geval van een beroep op verjaring het de rechter vanwege het verdedigingsbeginsel niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. [51]
Gezien de hiervoor geciteerde stellingen van de vrouw (in eerste aanleg en) in hoger beroep acht ik dit oordeel onbegrijpelijk. De vrouw heeft immers in de hiervoor geciteerde memorie van antwoord gesteld dat een eventueel vergoedingsrecht van de man is ontstaan op het moment dat beide partijen verzekeringnemer werden van de polis en dat een eventueel vergoedingsrecht door verjaring teniet is gegaan. Daaruit volgt dat de vrouw heeft gesteld dat de verjaring is gaan lopen op het moment dat de polis op naam van beide partijen is komen te staan. Het hof heeft in rov. 3.37 vastgesteld dat dit op 1 november 2003 was.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
De kosten van de huishouding ad € 34.932,36 (grief VI van de vrouw)
rechtbankheeft art. 3 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst toegepast en de vordering van de man ten aanzien van de kosten van de huishouding toegewezen tot een bedrag van
€ 34.932,36.
vrouwop tegen het oordeel van de rechtbank dat zij uit hoofde van art. 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst iets verschuldigd is aan de man.
manheeft verweer gevoerd.
Ik constateer dat rov. 7.56 een uitleg inhoudt van grief VI van de vrouw. Het hof overweegt in rov. 7.56 dat de vrouw met grief VI opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat zij uit hoofde van artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst iets is verschuldigd aan de man. Daarmee heeft het hof grief VI van de vrouw zo uitgelegd, dat het volledige oordeel van de rechtbank in rov. 4.20-4.21 van het eindvonnis over de kosten van de huishouding, inclusief de uitleg van artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst in rov. 4.20, eerste zin, aan het hof is voorgelegd.
Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere uitleg van het oordeel van het hof, mist het feitelijke grondslag.
ubonderdeel 2.2 [56] de motiveringsklacht dat, naar de kern genomen, het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is indien het hof grief VI van de vrouw zo heeft uitgelegd, dat deze zich ook richt tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst een basis biedt voor het door de man gestelde vorderingsrecht. Daartoe wordt aangevoerd dat grief VI van de vrouw, alsmede de toelichting daarop, uitsluitend betrekking heeft op de oordelen van de rechtbank over (de stelplicht en bewijslast inzake) de (omvang van) de kosten van de huishouding, wat elk der partijen daaraan heeft bijgedragen, en van welk inkomen van de vrouw daarbij moet worden uitgegaan. Van een voldoende kenbare grief tegen het oordeel van de rechtbank dat artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst een basis biedt voor het door de man gestelde vorderingsrecht is volgens de klacht geen sprake.
de kosten van de huishouding ad € 34.932,36
De rechtbank stelt vast dat de man een berekening heeft overgelegd die ziet op alle drie en/of-rekeningen van partijen. De rechtbank is van oordeel dat de man de kosten van de huishouding en de inkomens voldoende met gegevens heeft onderbouwd. Hij heeft de zwarte inkomsten van de vrouw over 2016 en 2017 onderbouwd met haar inkoopgegevens en haar verkoopboek. De vrouw heeft niet gemotiveerd betwist dat de door de man gehanteerde gegevens onjuist zijn. Zij heeft zijn berekening alleen bloot betwist. Het had op haar weg gelegen concreet te stellen en te onderbouwen (nu zij over die gegevens en de toelichting daarop beschikt) welke betalingen door haar zijn bekostigd, waaruit blijkt dat haar inkomen lager is dan waarvan de man is uitgegaan en welke gevolgen die stellingen voor de berekening van de man hebben. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank uit van de juistheid van de berekening van de man. Daaruit volgt dat sprake is van een bijdrage van de man vanuit middelen die zijn evenredig aandeel te boven gaat (in relatie tot het inkomen van de vrouw). De rechtbank wijst het door de man gevorderde bedrag van
€ 34.932,36 dan ook toe.”
Nergens wordt verondersteld dat in grief VI door de vrouw (mede) wordt opgekomen tegen de door de rechtbank toegepaste uitleg van artikel 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
Ook uit die passages heeft het hof naar mijn mening echter niet kunnen afleiden dat grief VI ook was gericht tegen de uitleg van artikel 3 samenlevingsovereenkomst door de rechtbank.
Datzelfde geldt m.i. voor de reactie van de advocaat van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling van het hof op de hiervoor geciteerde verklaring van de advocaat van de man, die als volgt luidt [60] :
Voorwaardelijke grief vrouw
vrouwvoert het volgende aan. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.18 haar vordering vanwege haar investering van ongeveer € 70.000,- ("door de rechtbank genoemd
€ 55.981,17”,' mvg, pt. 103) afgewezen. De investering betreft een aflossing van een hypotheekschuld op de [woning 2 van de man] en een aflossing van een studieschuld van de man. Indien het hof van mening is dat de vrouw op welke grondslag dan ook enig bedrag aan de man dient terug te betalen, verzoekt de vrouw het hof om de man dan ook te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 70.000,-- aan de vrouw. De man is daardoor ongerechtvaardigd verrijkt, doordat zijn schuld met € 70.000,- is afgenomen. De vrouw is daardoor verarmd. “In eerste aanleg zijn reeds bewijsstukken overgelegd van deze betaling” (mvg, pt. 103).
manvoert verweer. De man ontkent dat de vrouw een investering van € 70.000,-- heeft gedaan in zijn woning en/of op zijn studieschuld. De door de vrouw overgelegde bewijsstukken zijn geen bankafschriften maar lijken Excel-sheets waar de vrouw verschillende bedragen op heeft aangegeven. Dat kan niet als bewijs dienen. De man heeft navraag gedaan bij de Rabobank, maar er zijn destijds geen aflossingen gedaan, althans daar is geen informatie over terug te vinden. De vrouw toont niet aan dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt en zij verarmd. Voor de rechtbank heeft de man zich ook verweerd tegen de vordering van de vrouw van € 55.981,17. Bij gelegenheid van de comparitie voor de rechtbank heeft hij verklaard: “ik kan mij niet herinneren wat met het geld is gebeurd, zo’n € 55.000,-- dat mevrouw heeft verkregen naar aanleiding van de transactie met betrekking tot haar eigen woning (...) ik betwist dat mevrouw geïnvesteerd zou hebben in de woning.” En verder: “er wordt betwist dat mevrouw een dergelijk bedrag heeft voldaan (...). Meneer kan het zich niet herinneren.”
hofoverweegt als volgt. De vrouw heeft nagelaten duidelijk te maken hoe zij uitkomt op het bedrag van ongeveer € 70.000,--. De vrouw refereert aan rov. 4.18 van het vonnis van de rechtbank, maar daar gaat het niet om een vordering van “ongeveer € 70.000,-- ", maar om een door de vrouw ingestelde vordering van € 55.981,17. Van dat laatste bedrag zal het hof dus uitgaan. Dit bedrag betreft voorts alleen de beweerde aflossing van de hypotheek. Ook dat blijkt uit rov. 4.18. De vordering vanwege een of andere aflossing van een studieschuld, die door de man is betwist, zal worden afgewezen. Het bedrag van de vordering is niet gespecificeerd en of deze vordering in eerste aanleg ook is ingesteld en zo ja wat de beslissing van de rechtbank daarop was, heeft de vrouw evenmin duidelijk gemaakt (zodat de verwijzing naar bewijsstukken uit de eerste aanleg ook ontoereikend is; de vrouw had dan een vindplaats moeten noemen in het naar schatting meer dan 1.500 pagina’s tellende dossier).
Verder klaagt het onderdeel, verkort weergegeven, dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, aangezien de tweede voorwaarde niet is vervuld en er in zoverre geen vordering voorlag [64] en dat het hof in ieder geval een ontoelaatbare verassingsbeslissing heeft gegeven, omdat de man er, gelet op de door de vrouw in haar grief geformuleerde (extra) voorwaarde, niet op bedacht hoefde te zijn, dat hij van zijn kant een expliciet beroep op verjaring van de vordering van de vrouw zou moeten doen. [65]
Voorwaardelijke grief vrouw” in rov. 7.75 het verzoek van de vrouw weergegeven, in de bewoordingen dat de vrouw verzoekt om de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 70.000,-- indien het hof van mening is dat de vrouw op welke grondslag dan ook enig bedrag aan de man dient terug te betalen. Daarin ligt besloten dat het hof de voorwaardelijke grief zo heeft opgevat dat, indien het hof zou oordelen dat de vrouw een bedrag aan de man moet betalen, de man moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 70.000,--.
Deze uitleg is aan het hof als feitenrechter voorbehouden.
De vrouw heeft deze voorwaardelijke grief als volgt toegelicht:
Indien u hof van mening is dat voor deze partijen ook een verlengde vorm van verjaring geldt, dan wel dat de vrouw door de man gedane investeringen ongerechtvaardigd verrijkt is en dat zij op welke grondslag dan ook, enig bedrag aan de man dient terug te betalen[curs. A-G], verzoekt de vrouw u hof de man ook te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 70.000,- aan de vrouw. Dit bedrag heeft zij immers betaald ter aflossing van een schuld van de man, waardoor de man ongerechtvaardigd is verrijkt. Zijn schuld is immers met € 70.000 afgenomen. De vrouw is daardoor verarmd. In de procedure in eerste aanleg zijn reeds bewijsstukken overgelegd van deze betaling.”
€70.000,--:
Aangezien m.i. aan de voorwaarde waaronder dit onderdeel is ingesteld is voldaan, dient het te worden behandeld.
In zoverre slaagt de voortbouwklacht uit onderdeel III.