ECLI:NL:GHSHE:2019:960
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op heffingskorting voor buitenlandse partner zonder kwalificerende status
Belanghebbende, woonachtig in Polen, vorderde uitbetaling van de heffingskorting op grond van artikel 8.9 en 8.9a Wet IB 2001. Haar echtgenoot werkte in 2015 zes maanden in Nederland en ontving daarna een Poolse werkloosheidsuitkering. De inspecteur weigerde de heffingskorting toe te kennen, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens in beroep ging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de echtgenoot geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige was omdat hij slechts 89% van zijn inkomen in Nederland verdiende, wat onvoldoende is om als partner te worden aangemerkt volgens de Wet IB 2001.
Het hof toetste ook aan het EU-recht en concludeerde dat de regeling niet in strijd is met de vrijheid van werknemersverkeer, omdat het gezinsinkomen niet nagenoeg geheel in Nederland wordt genoten. De individuele heffingskorting wordt toegekend per persoon en de partnerregeling geldt alleen als aan strikte voorwaarden wordt voldaan.
Daarom bestaat geen recht op verhoging van de heffingskorting. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende heeft geen recht op de heffingskorting.