Belanghebbende, woonachtig in een lidstaat en mede-eigenaar van een woning met zijn partner, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015. Hij vorderde aftrek van negatieve inkomsten uit de eigen woning en premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De inspecteur had de aftrek van de premies toegestaan, maar niet die van de negatieve inkomsten uit de eigen woning.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende op grond van het EU-recht deze negatieve inkomsten kon aftrekken van zijn inkomen uit werk en woning in Nederland. Belanghebbende beriep zich op uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het Marks & Spencer-arrest, om aan te tonen dat negatieve gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aftrekbaar moeten zijn.
De rechtbank oordeelde dat de nationale regeling, artikel 7.8 van de Wet IB 2001, niet in strijd is met het EU-recht. De woonstaat is primair verantwoordelijk voor het rekening houden met persoonlijke en gezinsomstandigheden, en slechts in uitzonderlijke gevallen is het aan de werkstaat om aftrek toe te staan. Nu het gezinsinkomen niet nagenoeg geheel in Nederland wordt verdiend, is er geen grond voor aftrek in Nederland. De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de aftrek terecht heeft geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers op 9 maart 2022 en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.