Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5908680 CV EXPL 17-1993)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met vier grieven en zes producties;
- de memorie van antwoord met twee producties.
3.De beoordeling
- Medio 2015 heeft mr. R.W. de Gruijl namens [appellant] bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend dat strekt tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. In deze verzoekschriftprocedure zijn drie verweerders verschenen, te weten Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio [stadsregio] , Stichting Flexus [locatie] , en de pleegouders [de pleegvader] en [de pleegmoeder] . Deze drie partijen hebben elk via een eigen advocaat verweer gevoerd.
- Bij beschikking van 10 juli 2015 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoek afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft die proceskosten aan de zijde van de drie verschenen verweerders begroot op in totaal € 4.233,--.
- [appellant] heeft bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 10 juli 2015. [appellant] werd in dat hoger beroep aanvankelijk bijgestaan door mr. N. Schuerman. Tijdens de in hoger beroep op 16 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling zijn mr. Schuerman en [appellant] niet verschenen. Mr. Schuerman heeft zich op 25 maart 2016 aan de zaak onttrokken.
- Op 5 april 2016 heeft mr. Van Peer zich in het hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag als opvolger van mr. Schuerman gesteld als advocaat van [appellant] , en gevraagd om een nieuwe mondelinge behandeling. Het gerechtshof Den Haag heeft dat verzoek niet gehonoreerd.
- Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 20 april 2016 de beschikking van 10 juli 2015 bekrachtigd en [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld. De proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de drie zojuist genoemde verweerders, die ook in hoger beroep elk bij een eigen advocaat zijn verschenen, zijn daarbij begroot op in totaal € 5.364,--.
- Het gerechtshof Den Haag heeft in de beschikking van 20 april 2016 onder meer het volgende overwogen:
- Op 23 augustus 2016 heeft [appellant] de beschikking van 20 april 2016 ontvangen van [de secretaresse in dienst bij Advocatenkantoor] , secretaresse in dienst bij [het Advocatenkantoor] . Op dat moment was de termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking al verlopen.
- Bij e-mail van 5 december 2016 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [het Advocatenkantoor] onder meer het volgende meegedeeld aan [appellant] :
- € 9.587,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 6 april 2017;
- € 500,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 6 april 2017;
- € 875,87 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- Mr. [de advocaat iin loondienst van het Advocatenkantoor] heeft als advocaat in loondienst van [het Advocatenkantoor] een fout gemaakt door de termijn om beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking van 20 april 2016 onbenut te laten verstrijken. [het Advocatenkantoor] was op dat moment opdrachtnemer van de door [appellant] gegeven opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand (rov. 3.4.1).
- Op grond van artikel 6:170 lid 1 BW Pro is [het Advocatenkantoor] aansprakelijk voor de schade die door de fout van haar ondergeschikten [de advocaat iin loondienst van het Advocatenkantoor] en/of [de secretaresse in dienst bij Advocatenkantoor] is toegebracht aan [appellant] (rov. 3.4.2).
- [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat er een reële kans was dat er na cassatie (en eventueel terugverwijzing) een uitkomst zou komen waarbij [appellant] inhoudelijk deels in het gelijk zou zijn gesteld en waarbij de ten laste van hem uitgesproken proceskostenveroordelingen zouden zijn vernietigd. De vorderingen van [appellant] moeten daarom worden afgewezen (rov. 3.4.4).
- [appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in conventie worden veroordeeld (rov. 3.4.5).
- De vordering van [het Advocatenkantoor] in reconventie is niet toewijsbaar, reeds omdat mr. R.W. de Gruijl, mr. N. Schuerman en mr. P.W.J.C. van Peer geen partij zijn in deze procedure (rov. 3.4.7).
- [het Advocatenkantoor] moet in de proceskosten van het geding in reconventie worden veroordeeld. Die kosten moeten aan de zijde van [appellant] echter op nihil worden begroot nu hij zonder bijstand van een gemachtigde heeft geprocedeerd (rov. 3.4.8).
- de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen;
- [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld;
- de vordering van [het Advocatenkantoor] in reconventie afgewezen;
- [het Advocatenkantoor] in de proceskosten van het geding in reconventie veroordeeld, en die kosten aan de zijde van [appellant] op nihil begroot.
- vernietiging van het vonnis van 20 december 2017, voor zover bij dat vonnis de vorderingen van [appellant] in conventie zijn afgewezen, [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie is veroordeeld en de proceskosten in reconventie aan de zijde van [appellant] op nihil zijn begroot;
- toewijzing alsnog van de vorderingen van [appellant] in conventie;
- veroordeling van [het Advocatenkantoor] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.
- 1. Tussen [het Advocatenkantoor] en [appellant] is een overeenkomst tot stand gekomen ter zake het verlenen van rechtsbijstand aan [appellant] bij de verzoekschriftprocedure die geëindigd is met de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 april 2016.
- 2. Doordat de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 april 2016 pas na het verstrijken van de cassatietermijn aan [appellant] is toegezonden, heeft [appellant] niet de mogelijkheid gehad om cassatieberoep in te stellen tegen die beschikking.
- 3. Het op die wijze ontnemen aan [appellant] van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag, moet als een beroepsfout van een of meer medewerkers van [het Advocatenkantoor] worden gekwalificeerd.
- a. [appellant] cassatieberoep zou hebben ingesteld tegen de beschikking van 20 april 2016, én:
- b. dat cassatieberoep zou hebben geleid tot een vernietiging van de beschikking van 20 april 2016.
- c1. de Hoge Raad zou dan zelf in de zaak hebben voorzien door ook de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2015 te vernietigen en vervolgens het verzoek om het voorlopig getuigenverhoor toe te wijzen en [appellant] niet in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep te veroordelen, dan wel:
- c2. de Hoge Raad zou de zaak ter verdere behandeling hebben verwezen naar een ander hof en dat verwijzingshof zou vervolgens de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2015 hebben vernietigd, het verzoek tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor hebben toegewezen en [appellant] niet in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep hebben veroordeeld.