Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €200.000. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank de waarde vast op €186.000 en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten, waaronder taxatiekosten gebaseerd op een tijdsbesteding van 3 uur.
De heffingsambtenaar stelde hoger beroep in tegen de hoogte van de vergoeding voor taxatiekosten, stellende dat volgens de geldende richtlijn een niet-inpandige woningtaxatie slechts 2 uur vergoeding rechtvaardigt. Belanghebbende voerde aan dat de taxatie ter plekke meer tijd vergde en dat jurisprudentie een tijdsbesteding van 3 uur toestond.
Het hof oordeelde dat de richtlijn van de belastingkamers, die uniforme uurtarieven en tijdsbestedingen voorschrijft, leidend is. De enkele omstandigheid dat de woning ter plekke werd bekeken, rechtvaardigt geen afwijking van de norm van 2 uur. Belanghebbende had onvoldoende onderbouwing geleverd voor een langere tijdsbesteding.
Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank over de proceskostenvergoeding en stelde de vergoeding voor taxatiekosten vast op 2 uur maal het uurtarief van €64,13, oftewel €128,26. De overige proceskostenvergoeding bleef gehandhaafd. Tevens werd het griffierecht voor het hoger beroep niet geheven en werd geen veroordeling in proceskosten voor het hoger beroep uitgesproken.