In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank die de vader begeleide omgang met hun minderjarige kind toekent. De rechtbank had het gezag van de vader beëindigd en de omgang via een omgangshuis geregeld. De moeder voert aan dat de vader niet voldoende heeft aangetoond dat zijn gedrag is veranderd en dat omgang schadelijk is voor het kind.
De vader stelt dat hij positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, waaronder het afronden van een agressieregulatiecursus en behandeling bij de GGZ. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert omgang in het belang van het kind, ondanks de beschermende houding van de moeder.
Het hof overweegt dat het kind recht heeft op contact met de vader en dat het voorgestelde langdurige traject met professionele begeleiding via het omgangshuis het meest in het belang van het kind is. Het verzoek tot schorsing van de beschikking wordt afgewezen. De zaak wordt aangehouden tot 8 oktober 2020 om de resultaten van het omgangstraject af te wachten, met rapportage en advies van Stichting [stichting 1] en de raad.