3.3.[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de gemeente. De medegedaagden, [de vader van appellant] en [medegedaagde] zijn niet in beroep gegaan tegen dit vonnis. De gemeente heeft niet (incidenteel) geappelleerd tegen de afwijzing van haar vorderingen voor wat betreft [de vader van appellant] en [medegedaagde] . Het hoger beroep beperkt zich daarom tot de gevorderde ontruiming van de standplaats door [appellant] . Waar het hof in het vervolg de naam [appellant] vermeldt, wordt daarmee [appellant] bedoeld.
3.4.1.Met grief I voert [appellant] aan dat de gemeente geen voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming. Ter toelichting daarop voert [appellant] aan dat de gemeente niet in hoger beroep is gegaan tegen de afwijzing van haar vorderingen ten aanzien van de huurders, zodat de standplaats aan de [adres] nog steeds aan hen in gebruik blijft.
3.4.2.Het hof verwerpt de grief. De door de gemeente aangevoerde grond voor het gevorderde, inbreuk op haar eigendomsrecht door een verblijf zonder recht of titel op de aan haar in eigendom toebehorende standplaats, is naar zijn aard, ook thans in hoger beroep nog, spoedeisend. De gemeente hoeft een dergelijke inbreuk niet te dulden. Daarbij neemt het hof in zijn overweging mee dat [appellant] niet weerspreekt dat hij al eerder betrokken is geweest bij de kweek van hennep, wat een vrees voor herhaling rechtvaardigt.
De omstandigheid dat de standplaats na de ontruiming door [appellant] nog niet volledig ter vrije beschikking van de gemeente komt levert geen reden op om anders te oordelen. Bij gelegenheid van het gehouden pleidooi heeft de gemeente aangevoerd dat het beroep tegen de beslissing van de burgemeester om op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet (Ow.) ook de woonwagen van de huurders te sluiten door de rechtbank Zeeland-West-Brabant ongegrond is verklaard en dat die beslissing inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen. [appellant] heeft dat niet weersproken. Bij gelegenheid van het gehouden pleidooi heeft de gemeente aangevoerd dat dit een zeer recente ontwikkeling is en dat zij zich nog beraadt over de vraag of zij ook de ontruiming door de huurders wil bewerkstelligen.
3.5.1.Met grief II betoogt [appellant] dat de aangetroffen kwekerij zich bevond in een schuur die zich niet op de in de gebruiksovereenkomst genoemde strook grond bevindt, zodat de gebruiksovereenkomst daar geen betrekking op had. Het hof verwerpt ook deze grief.
Blijkens de gebruiksovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [appellant] een woonwagen bij mocht plaatsen op de standplaats aan de [adres] . Dat partijen hebben beoogd dat het gebruik van [appellant] strikt beperkt zou zijn tot die woonwagen of de strook grond waarop die staat, is door [appellant] niet gesteld en volgt ook niet uit de gebruiksovereenkomst. Dat is vooralsnog ook niet aannemelijk, want met de overeenkomst werd beoogd aan [appellant] de mogelijkheid te bieden om in afwachting van een beschikbare eigen standplaats in een woonwagen te gaan wonen op de standplaats van zijn ouders. De vader van [appellant] is in dat verband mede als partij bij de gebruiksovereenkomst betrokken. In de gebruiksovereenkomst heeft de gemeente bovendien in meerdere artikelen bedingen opgenomen die zien op handelingen met betrekking tot de strook grond en/of de berging op de standplaats (zie de artikelen 5, 6, 7 en 11). Hieruit leidt het hof voorshands af dat de gemeente bij het aangaan van de overeenkomst rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat [appellant] ook de berging zou gebruiken en dat het gedoogde gebruik dus ook zag op de berging en niet beperkt was tot de vierkante meters waarop hij zijn woonwagen zou plaatsen. Voorts volgt uit het feitelijk handelen van [appellant] dat ook hij ervan uitging bevoegd te zijn tot het gebruik van de berging. Dat volgt uit het feit dat hij die berging in gebruik heeft genomen om daarin een hennepkwekerij in te richten.
3.5.2.Het hof is daarom voorshands van oordeel dat het toegelaten gebruik niet beperkt was tot de strook grond waarop de woonwagen stond, maar zag op de gehele standplaats van zijn ouders, met inbegrip van de daarop of daarbij geplaatste aanhorigheden, zoals de berging.
3.5.3.Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] erkent dat hij ‘elders op de standplaats’ een hennepkwekerij heeft opgezet (MvG nr. 21) en hiervoor strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld (MvG nr. 26 en 33). Als gebruiker van de standplaats had [appellant] als een goed huisvader te beschikken over hetgeen hem in gebruik was gegeven. Met de aanleg en exploitatie van een hennepkwekerij heeft [appellant] gehandeld in strijd met de op hem als gebruiker rustende zorgplicht en staat vast dat hij zich jegens de gemeente niet als een goed gebruiker heeft gedragen. Dat leverde een tekortschieten op in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Een herstel van dat tekortschieten was niet meer mogelijk. In dat geval was de gemeente bevoegd de gebruiksovereenkomst te ontbinden.
3.6.1.Met grief III betoogt [appellant] dat toewijzing van de gevorderde ontruiming zou betekenen dat sprake is van een (drie)dubbele bestraffing. [appellant] verwijst in dit verband naar jurisprudentie die is ontwikkeld naar aanleiding van de invoering van de maatregel tot plaatsing van een alcoholslot. [appellant] voert aan dat de gevorderde ontruiming een (in)direct gevolg is van het besluit van de burgemeester om zijn woonwagen voor drie maanden te sluiten.
3.6.2.Het hof verwerpt ook deze grief. Voor zover [appellant] met deze grief bedoelt te betogen dat de gevorderde ontruiming in combinatie met de strafrechtelijke vervolging en het besluit van de burgemeester op grond van artikel 13b Ow. een (drie)dubbele bestraffing oplevert, faalt de grief. Dit besluit van de burgemeester staat in dit geding niet ter discussie en de gevorderde ontruiming is gegrond op de opzegging/ontbinding van de gebruiksovereenkomst die op haar beurt is gegrond op de tekortkoming in de nakoming van de gebruiksovereenkomst die het gevolg is van de van de aangetroffen (en door [appellant] geëxploiteerde) professionele hennepkwekerij en daarmee gepaard gaand gevaar zettend handelen.
3.6.3.[appellant] voert in de toelichting aan dat de gevorderde ontruiming voortvloeit uit het besluit van de burgemeester op grond van artikel 13b Ow. Ook dat standpunt is niet juist, omdat de beëindiging van de gebruiksovereenkomst niet berust op het bepaalde in artikel 7:231, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel het hof begrip kan opbrengen voor het feit dat [appellant] de gevorderde ontruiming als een strafmaatregel ervaart, is het hof van oordeel dat de ontbinding van de gebruiksovereenkomst en gevorderde ontruiming niet als een van overheidswege opgelegde strafmaatregel kunnen worden beschouwd. [appellant] miskent dat de gevorderde ontruiming berust op een beëindiging van gebruik op grond van het tekortschieten in de nakoming van de gesloten gebruiksovereenkomst. De gemeente treedt daarbij op als civiele partij bij een overeenkomst naar burgerlijk recht. In dat opzicht gaat een vergelijking met de casus van het alcoholslot niet op. De gemeente heeft een eigen, privaatrechtelijk, belang bij beëindiging van het gebruik. Ten aanzien van dat belang verwijst het hof naar hetgeen hierna nog zal worden overwogen.
3.7.1.[appellant] heeft tot slot met grief IV aangevoerd dat de ontruiming disproportioneel zou zijn. Het hof verwerpt ook dit verweer. Het hof stelt daarbij voorop dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst en dat dit tekortschieten de gemeente als ingebruikgever de bevoegdheid gaf om de gebruiksovereenkomst te ontbinden. Dat de aard en/of ernst van het tekortschieten dermate gering was dat dit de ontbinding niet kon rechtvaardigen, is door [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd aangevoerd. [appellant] voert slechts aan dat effectuering van de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een dergelijk verweer moet met terughoudendheid worden beoordeeld.
3.7.2.Het hof onderkent dat de gevolgen van de beëindiging van de gebruiksovereenkomst en een op die beëindiging berustende ontruiming voor [appellant] ingrijpend zijn. Maar het mag algemeen bekend worden verondersteld dat het opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij op een gehuurde standplaats door een verhuurder van die standplaats niet wordt geduld en kan leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst dan wel, zoals in dit geval, de gebruiksovereenkomst met betrekking tot die standplaats. Dat is een omstandigheid die [appellant] terdege in zijn overwegingen had kunnen (en moeten) betrekken toen het tekortschieten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst een aanvang nam. Deze omstandigheid komt daarom in beginsel voor zijn eigen rekening.
3.7.3.De gemeente heeft in haar memorie van antwoord verwezen naar haar standpunt in eerste aanleg. In haar pleitaantekeningen voor de zitting van de voorzieningenrechter van 24 mei 2019 heeft de gemeente aangevoerd dat zij er belang bij heeft dat hard wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit en de overlast die met de teelt van hennep en daarmee samenhangende diefstal van energie gepaard gaat. De gemeente heeft aldus ook een belang bij een precedentwerking van de gevorderde ontruiming ten opzichte van andere gebruikers of huurders die mogelijk betrokkenheid bij hennepkweek zouden overwegen. Het laten passeren van de onderhavige overtreding zou afbreuk doen aan de beoogde precedentwerking: bij anderen zou dat de indruk kunnen wekken dat het met de sanctionering van dergelijke overtredingen "wel losloopt". De gemeente heeft er een gerechtvaardigd belang bij om dat te voorkomen, niet alleen als bestuursorgaan met een verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid, maar ook als civiele partij in overeenkomsten met betrekking tot het gebruik van haar vastgoed.
3.7.4.[appellant] wijst in de toelichting op grief IV slechts op de financiële consequenties voor hem van een bevel tot ontruiming. Ontruiming zal volgens hem een schadepost van € 35.000,= (waarde woonwagen) opleveren, omdat verkoop van de woonwagen op korte termijn niet in de lijn der verwachting ligt en [appellant] de verplaatsingskosten van € 87.262,78 niet kan betalen, terwijl “gewone huurders” die geconfronteerd worden met een gedwongen ontruiming zonder schade ten gevolge van het tenietgaan van hun woning vertrekken. In eerste aanleg heeft [appellant] nog aangevoerd dat de gemeente handelt naar willekeur en heeft hij gewezen op de omstandigheid dat zijn zoontje een intensieve behandeling volgt bij Kentalis in [vestigingsplaats] en dat [appellant] optreedt als mantelzorger voor zijn vader.
3.7.5.Dat sprake zou zijn van willekeur is verder door [appellant] niet onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente in dit geval handelt in afwijking van haar optreden in andere, soortgelijke gevallen of een uitzondering maakt op door haar gevoerd beleid, hetzij als bestuursorgaan, hetzij als civiele partij bij het beheer van haar vastgoed. Het hof is dan ook niet gebleken van willekeur bij de ontbinding van de gebruiksovereenkomst en bij het vorderen van de ontruiming.
3.7.6.Afgezet tegen het hiervoor geschetste belang van de gemeente is het hof vooralsnog van oordeel dat in verhouding tot dat belang de aangevoerde omstandigheden niet aan toewijzing van de gevorderde ontruiming in de weg staan. Tegenover het financieel belang van [appellant] staat het belang van de gemeente als vastgoedbeheerder bij helderheid ten aanzien van haar hennep-beleid en bij het tegengaan van de ongewenste neveneffecten die samenhangen met de inrichting en exploitatie van hennepkwekerijen, zoals bijvoorbeeld het ontstaan van brandgevaarlijke situaties en van overlast voor omwonenden als gevolg van illegale activiteiten.
3.7.7.Evenmin is gebleken dat de geboorte van een dochtertje, de gezondheidstoestand van vader of de ontwikkeling van zijn zoontje noodzakelijk maken dat [appellant] op de in gebruik zijnde standplaats blijft wonen. [appellant] is als ouder van zijn kinderen in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Het moge zo zijn dat het voor de zoon van [appellant] van belang is dat hij begeleiding van Kentalis kan blijven krijgen, maar dat betekent nog niet dat die begeleiding in het geval van woonruimte elders niet meer mogelijk is. Voorts heeft [appellant] bij gelegenheid van het gehouden pleidooi verklaard dat hij tijdens de sluiting van zijn woonwagen de mantelzorg voor zijn vader ook vanuit zijn toenmalige verblijfplaats heeft kunnen verzorgen.
Het ligt op de weg van [appellant] zelf om maatregelen te treffen om eventuele nadelige gevolgen van een ontruiming te voorkomen althans zoveel mogelijk te beperken, en daartoe zo nodig een beroep te doen op hulpverlenende instanties. [appellant] weet bovendien inmiddels al ongeveer een jaar dat een serieuze dreiging van de ontruiming van de standplaats aanwezig is. Hij heeft dus al een ruime periode gehad om zich op de nieuwe situatie in te stellen en elders woonruimte of een woonwagenstandplaats te zoeken.