Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
appellant,
verder te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. B.V. Rafaela te Rotterdam,
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. E.M. Olinga te Hoogeveen.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5308881 / 16-4950)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de herstelexploten van 25 juli 2018 en 5 oktober 2018;
- het arrest van het hof Den Haag van 8 januari 2019;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
niet ongemotiveerd naast zich neerleggen en bepalen dat de verklaring van 15 januari 2018 van [getuige aan de zijde van appellant][hof: de verklaring die is afgelegd ten overstaan van de kantonrechter]
geen aanvullend bewijs levert voor [appellant] . De verklaring van [getuige aan de zijde van appellant] van 15 januari 2018 is namelijk discutabel en mogelijk onbetrouwbaar te noemen, omdat deze bijna 3 jaar na het incident is afgelegd. Echter wenst [appellant] over de verklaring het navolgende op te merken.