Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
[belanghebbende 1](hierna te noemen: [belanghebbende 1] ), wonende te [woonplaats] , bijgestaan door mr. A.J.L.J. Pfeil;
[belanghebbende 2](hierna te noemen: [belanghebbende 2] ), wonende te [woonplaats] , bijgestaan door mr. J.P.H.J. Hermans.
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de bewindvoerder;
- [belanghebbende 1] , bijgestaan door mr. Pfeil.
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 9 januari 2020;
- het V6-formulier met bijlage van de advocaat van [belanghebbende 1] d.d. 15 januari 2020;
- de ter mondelinge behandeling van het hof door de bewindvoerder overgelegde pleitnotitie.
3.De beoordeling
Het hof verwijst hierbij naar de conclusie van AG Wesseling-Van Gent (ECLI:NL:PHR:2017:1089), bij het door de Hoge Raad op 22 december 2017 gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2017:3262), waar de AG onder 2.9. opmerkt:
“Uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam 26 april 2011 ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4751) volgt dat de erfgenamen geen aanspraak kunnen maken op een rekening en verantwoording over de gehele periode waarin de bewindvoerder het bewind heeft gevoerd. De in artikel 1:445 BW Pro neergelegde verplichting van de bewindvoerder om rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde bewind strekt namelijk alleen tot behartiging van het belang van de betrokkene. Indien betrokkene is overleden, is er geen sprake meer van een rechtens te beschermen belang van de betrokkene. De bevoegdheid van de betrokkene gaat na diens overlijden niet van rechtswege over op diens erfgenamen onder algemene titel. Op grond van het bepaalde in artikel 1:445, vierde lid, jo artikel 1:373, eerste lid, BW dient de bewindvoerder rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde bewind aan de erfgenamen. Gelet evenwel op het feit dat in artikel 1:445, eerste lid, BW reeds een jaarlijkse verantwoordingsplicht van de bewindvoerder jegens de betrokkene is opgenomen, moet deze verplichting worden geacht uitsluitend betrekking te hebben op de eindafrekening, en te bestaan in het afleggen van rekening en verantwoording over het laatste kalenderjaar tot aan het tijdstip in dat jaar waarop de betrokkene is overleden.”