In deze zaak vordert een werknemer loonbetaling over de periode van februari 2013 tot januari 2015 nadat zij na een discussie over carnaval 2013 niet meer werd opgeroepen voor werk. De werknemer was oorspronkelijk op basis van een oproepovereenkomst in dienst getreden, maar deze was door de regelmatige werkzaamheden verworden tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De kantonrechter had de vordering van de werknemer toegewezen omdat het dienstverband niet formeel was beëindigd en de werkgever de werknemer had moeten blijven oproepen. De werkgever stelde zich op het standpunt dat de werknemer in februari 2013 was ontslagen, wat zij echter niet kon bewijzen.
Het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte is uitgegaan van een oproepovereenkomst terwijl partijen het erover eens waren dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof stelt vast dat de werknemer vanaf februari 2013 geen werkzaamheden meer heeft verricht en dat de werkgever haar had laten weten dat zij niet hoefde te komen werken.
De werknemer heeft echter pas in 2016 contact opgenomen over loonbetaling, waardoor het hof concludeert dat zij geen serieuze bereidheid heeft getoond om te werken. Daarom wijst het hof de loonvordering af en veroordeelt de werknemer tot terugbetaling van het reeds ontvangen loon, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten worden verdeeld.