In deze civiele procedure vordert de geïntimeerde betaling van vier onbetaalde facturen van in totaal €7.295,06, voortvloeiend uit een overeenkomst van opdracht voor advisering op het gebied van subsidies en fiscale besparingen. De appellante betwist dat zij partij is bij de overeenkomst en voert inhoudelijk verweer tegen de facturen.
Het hof oordeelt dat de appellante als gelieerde onderneming van de oorspronkelijke opdrachtgever partij is bij de overeenkomst en dat de geïntimeerde door juridische fusie rechtsopvolger is van de oorspronkelijke opdrachtnemer, waardoor de vordering op haar is overgegaan. De stelling van appellante dat de facturen als niet verzonden konden worden beschouwd, wordt onvoldoende onderbouwd en faalt.
Inhoudelijk wijst het hof de bezwaren van appellante tegen de facturen af. De werkzaamheden zijn verricht, subsidies zijn toegekend en het niet voldoen aan administratieve verplichtingen door appellante leidt niet tot ontslag van de betalingsverplichting. Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd, waarbij appellante wordt veroordeeld in de proceskosten.