Belanghebbende, een in Nederland woonachtige Rijnvarende, was in 2010 werkzaam bij een Cypriotische werkgever die sociale verzekeringspremies in Cyprus heeft ingehouden. De bevoegde Cypriotische autoriteit gaf een E101-verklaring af die bepaalt dat de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving van toepassing is voor dat jaar. De Belastingdienst heft echter premie volksverzekeringen over 2010, ondanks deze verklaring.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard, maar werd een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zowel belanghebbende als de inspecteur stelden hoger beroep in bij het hof. Het hof oordeelt dat de E101-verklaring bindend is en dat de belastingrechter niet materieel kan toetsen wat reeds onherroepelijk is vastgesteld in de sociale zekerheidskolom. Hierdoor heeft belanghebbende recht op vrijstelling van de premie volksverzekeringen.
Verder oordeelt het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase niet kan worden toegerekend aan de inspecteur, omdat belanghebbende instemde met verlenging van de beslistermijn. De immateriële schadevergoeding wordt daarom vernietigd. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.