Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit verzoek volgde op de afwijzing van onderzoekswensen, waaronder dactyloscopisch- en DNA-onderzoek aan een anonieme brief en een oproep via de media om de briefschrijver te identificeren. Verzoeker stelde dat de raadsheren vooringenomen waren omdat zij onterecht aannamen dat hij de identiteit van een kennis van de briefschrijver kende en daardoor de mogelijkheid om cruciale getuigen te horen werd belemmerd.
De raadsheren en het Openbaar Ministerie stelden dat de afwijzing van de onderzoekswensen een tussenbeslissing betrof die geen grond voor wraking kan zijn en dat er geen sprake was van vooringenomenheid. De wrakingskamer oordeelde dat het hof de beslissingen zorgvuldig had gemotiveerd, mede gelet op de door de verdediging zelf ingebrachte feiten. De motivering was niet zodanig dat deze kon worden opgevat als blijk van vooringenomenheid.
De wrakingskamer benadrukte dat het vermoeden van onpartijdigheid van rechters slechts kan worden doorbroken bij uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor vooringenomenheid. Dit was niet het geval. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek.