Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/271496/HA ZA 13-863)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel met producties;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel.
3.De beoordeling
4196 en niet 27
1496.
“(…) Ik heb u zojuist verklaard dat moeder geen grote geldbedragen thuis wilde hebben. Ik vond het zelf ook geen fijn idee. Moeder vertelde mij dat zij geld afstortte bij de bank. Ik heb haar meermaals aangeboden om haar te vergezellen bij haar bezoeken aan de bank. Dat was volgens haar niet nodig. Ik ben één keer wel mee geweest bij de bank toen zij een bedrag afstortte. Dit was een bedrag van uit mijn hoofd € 4.000,-- (…)”. Uit de overgelegde bankrekeningafschriften van de lopende rekening van moeder blijkt echter niets van zulke stortingen in 2005 en tegen dit oordeel in het vonnis van 2 november 2016 (rov. 2.6) is geen grief gericht.
“(…) Mijn echtgenote is in ieder geval één keer aanwezig geweest toen ik een bedrag terug betaalde. Misschien wel twee of drie keer, maar één keer weet ik zeker. Ik weet niet meer welk bedrag ik toen heb afgegeven en ik weet ook niet in welke coupures ik het bedrag toen heb teruggegeven (…)”Zijn echtgenote heeft tijdens haar getuigenverhoor het volgende verklaard:
“(…) ik ben er ook één keer bij geweest toen er geld werd overhandigd aan moeder door mijn man. Ik weet niet meer wanneer dat is geweest, welk bedrag toen is betaald en in welke coupures dit bedrag is betaald. (…)”Het hof overweegt dat uit deze verklaringen hooguit bewijs kan worden afgeleid voor terugbetaling van één bedrag, maar het hof zal dat bewijs toch terzijde leggen nu beide echtgenoten daar geen verdere details van (kunnen) geven zoals datum, bedrag of coupures.