Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 3;
- de memorie van antwoord met producties I tot en met K;
- het schriftelijk pleidooi zoals blijkt uit de door partijen overgelegde pleitnota’s.
6.De beoordeling
stelt de polisvoorwaarden zo te hebben begrepen dat de validiteitsverklaring slechts vereist was voor de eerste verhoging, die per 1 januari 2013 plaatsvond. Die verklaring had hij afgelegd toen hij het nieuwe polisblad ontving. Hij beschouwde de voorwaarde op het polisblad dus als een voorwaarde waaraan hij al had voldaan.
Verder betoogt [appellant] dat hij als consument aangemerkt moet worden, omdat de gesloten verzekeringsovereenkomst privédoeleinden dient, in welk verband hij zich beroept op het beginsel dat een onduidelijk beding ten nadele van de opsteller ervan moet worden uitgelegd (het ‘contra proferentem’-beginsel). Ook om die reden mag NN volgens [appellant] niet opnieuw, in verband met de verhoging per 1 januari 2014, een validiteitsverklaring verlangen.
Daarnaast voert [appellant] aan dat hij zelf op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de onderhandeling over de clausule Toetsing Inkomen op het polisblad. De correspondentie voorafgaand aan de afgifte van het polisblad is gevoerd tussen [de verzekeringsadviseur] en NN. [appellant] kende destijds alleen de e-mail van 27 december 2012 en daarin wordt maar één voorwaarde genoemd voor de verhoging per 1 januari 2014, namelijk die van een ongewijzigde management fee (en dus niet ook een validiteitsverklaring), aldus [appellant] .
“uiteraard met de restricties inzake validiteitsverklaring zoals onderstaand verwoord”, waarmee wordt verwezen naar de e-mail van 17 december 2012. In de e-mail van 27 december 2012 van NN wordt weliswaar niet meer expliciet gesproken over de validiteitsverklaring voor de verhoging per 1 januari 2014, maar daarin wordt wel het eerdere voorstel
“zoals in onderstaande mail verwoord”– daarmee kennelijk verwijzend naar de e-mail van NN van 18 december 2012 – gestand gedaan, dus inclusief de voorwaarde van de validiteitsverklaring voor de verhoging naar € 96.000,- per 1 januari 2014. Dat NN deze voorwaarde zou hebben laten vallen, heeft [de verzekeringsadviseur] uit deze e-mail niet mogen afleiden. Bovendien staat vast – zoals NN stelt en door [appellant] niet wordt betwist – dat [de verzekeringsadviseur] het ook daadwerkelijk zo heeft begrepen dat er voor de tweede verhoging een validiteitsverklaring diende te komen waaruit volgde dat [appellant] niet arbeidsongeschikt was op dat moment. NN heeft er in elk geval op mogen vertrouwen dat [de verzekeringsadviseur] namens [appellant] akkoord was met de door haar gestelde voorwaarde van een validiteitsverklaring die betrekking had op zijn arbeidsgeschiktheid in een periode van 60 dagen vóór 1 januari 2014.
€ 3.918,-