Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/311333/HA ZA 16-94)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met één productie.
3.De beoordeling
“van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in relatie tot ziekte of ongeval, objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde beperkt is in zijn of haar functioneren.”
“aanwijzingen voor beperkingen binnen de rubriek persoonlijk functioneren in termen van de FML worden niet gevonden. (…) Aanwijzingen voor beperkingen binnen de rubriek sociaal functioneren in termen van de FML worden niet gevonden.””
adequaat en passen niet meer bij de werkelijke omstandigheden van het moment.
PTSS-klachten” in de vorm van “herbelevingen, angsten, slapeloosheid, prikkelbaarheid, schrikachtig, zenuwachtig, paniekklachten, et cetera”. Hij werkt die opsomming echter verder niet uit. Wel stelt hij dat deze klachten door behandeling met het medicament Venlafaxine en door EMDR “significant zijn gereduceerd”. Ook dat specificeert hij overigens niet. Wel meent hij dat betrokkene door de problemen die zijn gezin van de overval ondervindt, in toenemende mate spanningsklachten ondervindt. De psychiater [psychiater 1] (..) concludeert niet tot PTSS. Zij beschrijft vooral angstklachten die gerelateerd zijn aan actueel voortbestaande onzekerheid en bedreiging na de overval. De slaapproblemen brengt zij in verband met betrokkene’s nachtelijk apneusyndroom. De psychiater [psychiater 2] meent wel dat er sprake is van PTSS en gaat ook uitgebreid in op de verschillende criteria daarvoor in relatie tot betrokkene’s klachtverhaal. Zo schrijft hij betrokkene’s klachten over angst en onzekerheid toe aan herbeleving van de overval, zonder echter in te gaan op het feit dat betrokkene redenen had om zich nog steeds reëel bedreigd te voelen. Mijn inziens komt dit aspect in zijn rapport niet of in ieder geval niet voldoende tot uitdrukking.