In deze civiele zaak staat een geschil over huurbetalingen centraal tussen appellant en geïntimeerde. Geïntimeerde huurde een woning van appellant en betaalde wisselende bedragen huur tussen januari 2013 en september 2017. Geïntimeerde stelt dat zij onder druk hogere bedragen betaalde dan de overeengekomen huurprijs van €600 per maand en vordert terugbetaling van het te veel betaalde bedrag.
De kantonrechter stelde vast dat geïntimeerde €43.942 had betaald terwijl zij slechts €33.600 aan huur verschuldigd was, wat resulteerde in een toewijzing van €10.342 aan terugbetaling. Appellant betwistte dit en stelde dat de bankafschriften vervalst zijn en dat de overeengekomen huurprijs €1.080 per maand was.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de vervalsing van de bankafschriften en dat het eigen overzicht van appellant onvoldoende tegenbewijs vormt. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter en verklaart appellant niet-ontvankelijk voor zijn reconventionele vorderingen. Tevens veroordeelt het hof appellant in de kosten van het hoger beroep.