ECLI:NL:GHSHE:2020:1817

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
200.253.919_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over terugbetaling te veel betaalde huur en bewijs van huurbetalingen

In deze civiele zaak staat een geschil over huurbetalingen centraal tussen appellant en geïntimeerde. Geïntimeerde huurde een woning van appellant en betaalde wisselende bedragen huur tussen januari 2013 en september 2017. Geïntimeerde stelt dat zij onder druk hogere bedragen betaalde dan de overeengekomen huurprijs van €600 per maand en vordert terugbetaling van het te veel betaalde bedrag.

De kantonrechter stelde vast dat geïntimeerde €43.942 had betaald terwijl zij slechts €33.600 aan huur verschuldigd was, wat resulteerde in een toewijzing van €10.342 aan terugbetaling. Appellant betwistte dit en stelde dat de bankafschriften vervalst zijn en dat de overeengekomen huurprijs €1.080 per maand was.

Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de vervalsing van de bankafschriften en dat het eigen overzicht van appellant onvoldoende tegenbewijs vormt. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter en verklaart appellant niet-ontvankelijk voor zijn reconventionele vorderingen. Tevens veroordeelt het hof appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant €10.342 aan te veel betaalde huur aan geïntimeerde moet terugbetalen met rente en veroordeelt appellant in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.253.919/01
arrest van 16 juni 2020
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: [advocaat appellant] te Bilthoven (onttrokken),
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.B.B. Beelaard te Den Haag,
op het bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2019 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen vonnis van 31 oktober 2018, verbeterd bij herstelvonnis van 5 december 2018, tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde
- [geïntimeerde] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6524578 CV EXPL 17-5711)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 31 januari 2018 en 9 mei 2018.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 23 januari 2019 met een productie (het vonnis van 31 oktober 2018);
  • de memorie van grieven van [appellant] van 30 april 2019 met een productie;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 11 juni 2019 met een productie;
  • onttrekking door de advocaat van [appellant] op 18 februari 2020, voor wie zich geen andere advocaat heeft gesteld.
[geïntimeerde] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1
Het tussenvonnis van 9 mei 2018 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep uitgaat van de feiten die daarin zijn vastgesteld.
3.2
Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende. [geïntimeerde] heeft in de woning aan de [adres] te [woonplaats] gewoond. Zij huurde deze woning van [appellant] . In de periode van 1 januari 2013 tot en met september 2017 heeft [geïntimeerde] voor de huur maandelijks wisselende bedragen aan [appellant] overgemaakt. Tussen partijen hebben verschillende incidenten plaatsgevonden, waarvan zij over en weer aangifte hebben gedaan bij de politie. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst opgezegd en begin september 2017 de woning ontruimd. De advocaat van [geïntimeerde] heeft bij brief van 5 oktober 2017 aan [appellant] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 10.042,= aan te veel betaalde huur over de periode van 1 januari 2013 tot en met september 2017 en hem onder aanzegging van wettelijke rente gesommeerd dit bedrag binnen vier weken terug te betalen. [appellant] heeft hier niet aan voldaan.
3.3
Bij dagvaarding van 4 december 2017 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt zij dat tussen partijen een huurprijs van € 600,= per maand is overeengekomen maar dat zij onder druk van [appellant] geregeld hogere bedragen heeft voldaan, in totaal € 44.242,= in plaats van € 34.200,= (57 maal € 600,=). Hetgeen zij daardoor over de periode van 1 januari 2013 tot en met september 2017 onverschuldigd heeft betaald dient [appellant] haar terug te betalen, aldus [geïntimeerde] . Op grond daarvan vorderde [geïntimeerde] , samengevat, veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 10.042,= met de wettelijke rente vanaf 2 november 2017. [geïntimeerde] heeft daarna haar vordering verminderd tot € 9.742,=, gebaseerd op door haar gestelde betalingen ten bedrage van € 43.942,= en vervolgens haar vordering vermeerderd tot € 11.060,= , gebaseerd op door haar gestelde betalingen ten bedrage van € 45.002,=.
3.4
[appellant] heeft deze vordering bestreden. Volgens hem zijn partijen een huurprijs van € 1.080,= per maand overeengekomen en heeft [geïntimeerde] niet te veel, maar juist te weinig betaald.
In reconventie heeft [appellant] verschillende tegenvorderingen ingesteld die door [geïntimeerde] op haar beurt zijn bestreden.
3.5
Bij tussenvonnis van 31 januari 2018 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald die op 20 maart 2018 heeft plaatsgevonden.
Bij (tussen)vonnis van 9 mei 2018 heeft de kantonrechter in conventie [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat zij een bedrag van € 43.942,= aan [appellant] heeft betaald. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] geheel afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
3.6
Ter voldoening aan de haar verstrekte bewijsopdracht heeft [geïntimeerde] een groot aantal afschriften van de bankrekeningen van haarzelf en van haar moeder overgelegd, met daarop gebaseerde overzichten. Hoewel daartoe meer dan eens in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] niet op deze stukken gereageerd.
3.7
Bij eindvonnis van 31 oktober 2018 heeft de kantonrechter vastgesteld dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde (originele) bankafschriften blijkt dat zij een bedrag van € 43.942,= aan huur aan [appellant] heeft betaald. [geïntimeerde] was aan huur een bedrag van in totaal € 33.6000,= verschuldigd, zodat zij met de betaling van € 43.942,= een bedrag € 10.342,= te veel heeft betaald. Dit bedrag heeft de kantonrechter toegewezen, met de niet bestreden wettelijke rente vanaf 2 november 2017 tot aan de voldoening.
3.8
[appellant] is in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 31 oktober 2018. In zijn appeldagvaarding concludeert hij tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van zijn vordering. In zijn memorie van grieven concludeert [appellant] tot het beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding. De reconventionele vordering van [appellant] is evenwel reeds geheel afgewezen bij het vonnis van 9 mei 2018, dat in reconventie een eindvonnis betreft. Binnen de daarvoor geldende appeltermijn heeft [appellant] daartegen geen hoger beroep ingesteld, zodat [appellant] niet-ontvankelijk verklaard zal worden voor zover het hoger beroep betrekking heeft op zijn vorderingen in reconventie. De inhoud van die vorderingen behoeft daarom ook geen nadere vermelding.
3.9
Tegen het eindvonnis van 31 oktober 2018 heeft [appellant] een grief gericht. Deze betreft het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] aan de bewijsopdracht heeft voldaan. Volgens [appellant] zijn de bankafschriften die [geïntimeerde] daartoe heeft overgelegd vervalst. Uit een door hem overgelegd overzicht blijkt volgens [appellant] dat [geïntimeerde] niet meer dan € 21.500,= heeft betaald. [geïntimeerde] heeft de grief van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.
3.1
In het tussenvonnis van 9 mei 2018 heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat partijen met ingang van 1 januari 2013 een huur van € 600,= per maand zijn overeengekomen en dat [geïntimeerde] dit bedrag verschuldigd is tot en met augustus 2017. Hiertegen heeft [appellant] geen grieven gericht, zodat ook het hof hiervan uitgaat. Dat geldt vooralsnog ook voor de bewijsopdracht die aan [geïntimeerde] is verstrekt.
3.11
[appellant] heeft ook in hoger beroep niet betwist dat de overgelegde bankafschriften huurbetalingen aantonen tot een bedrag van € 43.942,=. Daarmee is in beginsel het gevraagde bewijs geleverd. Dit is slechts anders indien [appellant] alsnog de authenticiteit van de bankafschriften weet aan te vechten dan wel voldoende tegenbewijs weet te leveren, zoals hij met de toelichting op zijn grief kennelijk beoogt. [geïntimeerde] heeft een en ander in haar memorie van antwoord betwist. Volgens haar heeft [appellant] met het - in eerste aanleg door hem reeds overgelegde - overzicht van ontvangen betalingen dit niet aangetoond. De overgelegde bankafschriften zijn niet vervalst, aldus [geïntimeerde] .
3.12
Het hof overweegt hierover het volgende. [appellant] heeft alleen gesteld dat de bankafschriften die [geïntimeerde] heeft overgelegd vervalst zijn en deze - vergaande - stelling niet met feitelijke gegevens of onderzoeksresultaten onderbouwd. De omstandigheid dat zijn eigen overzicht ervan afwijkt is daartoe onvoldoende. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat de (originele) bankafschriften die [geïntimeerde] heeft overgelegd ten bewijze van de door haar gestelde betalingen die betalingen correct weergeven. Tegenover dat bewijs biedt het overzicht dat [appellant] opnieuw heeft overgelegd onvoldoende tegenbewijs. Nader (tegen)bewijs is door [appellant] verder ook niet aangeboden. De grief van [appellant] wordt daarom verworpen.
Conclusie
3.13
Nu de grief van [appellant] is verworpen zal het eindvonnis van 31 oktober 2018, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 5 december 2018, worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en rente als gevorderd.

4.De uitspraak

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op zijn vorderingen in reconventie;
bekrachtigt het eindvonnis van 31 oktober 2018, zoals verbeterd bij herstelvonnis van 5 december 2018;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 324,= aan griffierecht, op € 1.074,= aan salaris advocaat, en wat betreft de nakosten op € 157,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, H.K.N. Vos en M.J. Pesch en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2020.
griffier rolraadsheer