In deze civiele procedure vordert de gemeente Eindhoven schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de gemeente werd veroordeeld tot betaling aan de curator van een failliete vennootschap voor onbetaalde asbestverwijderingswerkzaamheden en de schadestaatprocedure werd geopend.
De gemeente stelt dat voortzetting van de schadestaatprocedure terwijl het hoger beroep over de aansprakelijkheid loopt, leidt tot complicaties, onnodige kosten en een financieel risico vanwege het boedeltekort. De curator betwist dit en wijst op een voorstel om het incassobedrag op een derdengeldenrekening te storten.
Het hof weegt het belang van de gemeente bij schorsing, mede ter voorkoming van onnodige kosten en complicaties, zwaarder dan het belang van de curator om door te procederen. De schorsing wordt daarom toegewezen tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden.
De hoofdzaak wordt verwezen naar een latere rolzitting voor verdere behandeling. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.