In deze civiele procedure hebben appellanten het hof verzocht de beschikking van de rechtbank Limburg te vernietigen en de geïntimeerde alsnog failliet te verklaren. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op het gevorderde loon, mede vanwege betwisting door geïntimeerde en een arbo-arts die geen arbeidsongeschiktheid vaststelde.
Appellanten stelden in hoger beroep dat zij wel degelijk hun stellingen hadden weersproken en dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, waarbij geïntimeerde zich niet als goed werkgever gedroeg. Zij voerden aan dat zij ziek waren gemeld en dat geïntimeerde het loon tot maart 2020 had doorbetaald. Geïntimeerde betwistte de arbeidsongeschiktheid en stelde dat appellanten na oproepen niet meer wilden werken, en dat het faillissementsverzoek voortkomt uit hun wens een transitievergoeding te verkrijgen.
Het hof overwoog dat een faillissementsprocedure beperkt is en dat de aanvrager summierlijk aannemelijk moet maken dat de vordering bestaat. Het hof vond dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op het loon vanaf maart 2020, mede omdat zij na ziekmelding geen werkzaamheden meer verrichtten en de arbo-arts geen arbeidsongeschiktheid vaststelde. Daarom wees het hof het verzoek af en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Het hof adviseerde appellanten hun geschil via de kantonrechter te beslechten.