De zaak betreft hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de rechtbank over informatiebeschikkingen die de inspecteur heeft gegeven in het kader van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2013 en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2011.
De inspecteur gaf eerst een informatiebeschikking voor de jaren 2004 tot en met 2008 die na bezwaar werd ingetrokken wegens formele en materiële gebreken. Vervolgens gaf de inspecteur nieuwe informatiebeschikkingen voor deels dezelfde jaren en voor reeds opgelegde en nog op te leggen navorderingsaanslagen. Belanghebbende voerde onder meer aan dat het geven van meerdere informatiebeschikkingen onrechtmatig was, dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden doordat hij niet tijdig over informatie uit Liechtenstein kon beschikken, en dat hij niet over de gevraagde bankstukken beschikte.
Het hof oordeelt dat de inspecteur na intrekking van een eerdere informatiebeschikking opnieuw een informatiebeschikking mag geven, dat het ontvangen van informatie uit Liechtenstein niet betekent dat de informatiebeschikkingen vernietigd moeten worden, en dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden omdat belanghebbende de stukken alsnog kon inzien en reageren. Ook is het niet aannemelijk dat belanghebbende niet over bankstukken beschikte; zo wel dan is dat zijn risico.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Belanghebbende krijgt een termijn van twee maanden om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.